Apple’s miskleunen door de jaren heen

VAN FLATERS, BLUNDERS, BLOOPERS EN FLOPS

Apple kan als computermaker bogen op een lange reeks successen. Producten als de PowerBook, iMac en iPod zijn bij miljoenen verkocht en hebben ook het aanzien van de computerwereld meeveranderd. Maar waar gehakt wordt, vallen ook spaanders – en Apple heeft er in de loop der tijd heel wat gehakt. In dit artikel staan we daarom eens stil bij de grootste blunders, bloopers en miskleunen van het bedrijf uit Cupertino. Want bij Apple zijn zelfs de megaflops vaak net zo interessant als de superhits.

Een van de eerste grote flaters die Apple in het begin van zijn bestaan sloeg was de Apple III. Deze ‘superbureaucomputer’ was in 1980 bedoeld als opvolger van de sinds 1977 uiterst succesvolle Apple II. Met een 1 MHz 6502-processor en zo’n 48 Kilobyte RAM-geheugen had die stormenderhand de markt veroverd, vooral door zijn uitstekende toetsenbord en de uitbreidbaarheid via insteekkaarten. Bovendien was de allereerste spreadsheet – Visicalc – destijds nog alleen voor de Apple-computer verkrijgbaar. Dat maakte het apparaat een ‘red hot’ item voor de allengs boomende managementscultuur.
Maar het model II kende op termijn nogal wat beperkingen tegenover later ontwikkelde computers. Bovendien was er de dreiging van industriegigant IBM om met een eigen personal computer op de markt te komen. Daarom liet de Apple-bedrijfsleiding, toen nog relatief jong en onervaren, zijn ontwerpteams zich uitleven om in alle haast een opvolger in elkaar te steken. Het uiteindelijke resultaat was technisch best een vooruitgang: met een veel snellere 2 MHz 6502B-processor, 128 tot 512k RAM, een ingebouwde diskdrive het een kersverse besturingssysteem SOS (Sophisticated Operating System) leek de Apple III bijna voorbestemd tot bestseller. Poeprijke zakenlui zouden er desgewenst zelfs een 5 Megabyte Profile-harddisk aan kunnen hangen, voor zeeën van opslagcapaciteit.

Drop-out

Maar het liep mis, en goed ook. Met een prijskaartje van circa $ 4500 bleek de Apple III meteen al bepaald niet goedkoop. De machine was weliswaar compatibel met eerder uitgebrachte II-software en kon ook diens programma’s draaien, maar dat werkte niet altijd even best. Daarbij bleek het nieuwe SOS-systeem evenmin vrij van bugs en bracht ontwikkelaars bepaald niet in vervoering. Bovendien had oprichter Steve Jobs zijn hardware-technici met grote problemen opgezadeld. De III moest ondanks alle extra ingebouwde apparatuur compact blijven en geen ventilatorkoeling gebruiken (want dat zag hij als ‘inelegant en luidruchtig’). Daardoor werd het apparaat binnenin al snel een broeikast van ellende. De printplaat bleek door de hitte vaak te vervormen en de erop geplaatste chips waren destijds meestal in voetjes gemonteerd. Door de warmte en het bijbehorende proces van uitzetten en inkrimpen werkten ze zich vaak geleidelijk los. De losse elektrische contacten die dat opleverde dreef menig Apple III-bezitter al snel tot wanhoop. Roemrucht is het advies dat de Apple-supportlijn destijds gaf aan menig klagende klant: de zware computer tien centimeter optillen en vervolgens laten vallen (daardoor zouden de chips weer in hun voetjes worden gedrukt).

Het hielp uiteindelijk allemaal niets. De combinatie van hoge prijs, rammelende hardware en gammele software deed de reputatie van de Apple III binnen de kortste keren de das om. Apple moest al snel zo’n 14.000 machines naar de fabriek terughalen. Ook een flinke prijsdaling en het uitbrengen van een technisch duidelijk verbeterde Plus-versie kon daaraan weinig meer veranderen. Aan een Apple III durfden alleen dappere zielen hun gegevens nog toe te vertrouwen. In 1985 haalde Apple de computer definitief van de markt. Gelukkig voor het bedrijf was de verbeterde IIe-versie van de good old Apple II ondertussen wél een groot verkoopsucces. Dat stelde de firma ruimschoots in staat om geld te steken in de ontwikkeling van een nieuwe generatie hypermoderne computers. Jammer genoeg was de eerste daarvan zowel een technische revolutie, als de volgende grote flop.

Lof en leed voor lisa

Het Lisa-project begon oorspronkelijk als concept voor de ontwikkeling van een zakelijke computer. Die moest nog sneller zijn dan de Apple III, en een betere tekstverwerker – na de spreadsheet dé applicatie van dat moment. Toen Steve Jobs echter na diens roemruchte bezoek aan het Xerox PARC-laboratorium het licht had gezien, beval hij onmiddellijk dat de Lisa een compleet grafische computer moest worden. De machine van de toekomst. Er moesten vensters en menu’s op het scherm verschijnen, net als op de futuristische Xerox Alto-prototypes. En uiteraard zou de gebruiker voor de bediening een muis in handen krijgen. Technisch uiterst veelbelovend – maar met als probleem dat het allemaal nog nooit op een ‘gewone’ personal computer was gedaan. Met veel kunst- en vliegwerk kregen de Apple-technici het echter uiteindelijk wél voor elkaar. Diverse nieuwe collega’s kwamen over vanuit het PARC-team, en software-guru Bill Atkinson ontwikkelde met QuickDraw de basis voor het grafische systeem dat Steve Jobs per se wilde zien.

Alleen: het bleek allemaal zo vooruitstrevend dat de hardware het nauwelijks bij kon houden. Chipbakker Motorola bleek in eerste instantie niet in staat om de krachtige 68000-processor, de motor achter de machinerie, op de gewenste kloksnelheden te leveren. In plaats van 8 MHz werkte de CPU slechts op vijf Megahertz. Net genoeg om de software enigszins op toeren te houden. De 5.25 inch ‘Twiggy’-diskdrive die speciaal voor de Lisa was ontwikkeld, bleek bovendien ingewikkeld en kwetsbaar. Ook in tal van andere opzichten werd het nieuwe paradepaardje uiteindelijk volgepropt met technische kunststukjes die het eindresultaat stuk voor stuk gecompliceerder en duurder maakten. Innovatief maar overengineered. Daardoor kostte de complete ontwikkeling van de computer veel tijd en véél geld. Gelukkig, zo meende het Apple-management, was de Lisa uitdrukkelijk bedoeld voor de zakelijke markt. Die zou voor zo’n krachtige machine zeker meer over hebben dan de paar duizend dollar voor een doordeweekse Apple II. Maar de kostprijs viel met zo’n $ 10.000 per stuk uiteindelijk wel érg veel hoger uit.

Als eerste muisgestuurde personal computer voor de massamarkt ontketende de Lisa in 1983 een stille revolutie. Iedereen in de IT-industrie en daarbuiten kon zien dat dit inderdaad de computer van de toekomst wás. Invoeren van getypte commandoreeksen als ‘PIP B:COPY.TXT=A:*’ of ‘COPY A:DOC.ASC B:/TXT/’ hoefde niet meer – als je het apparaat tenminste kon betalen. Zelfs in de roerige business-wereld van de ‘eighties’ waren er echter maar weinigen die de aanschaf van zo’n prijzige computer konden rechtvaardigen. In Nederland kostte de machine oorspronkelijk zo’n dertigduizend ouderwetse guldens. Tel daarbij dat IBM met de veel primitievere maar beduidend goedkopere 5150 DOS-pc ondertussen de standaard had gezet voor zakelijke hardware, en je had alle ingrediënten voor een fikse financiële flop.

Klap van kleine broer

Deze kwam bij Apple hard aan – vooral bij de directie. Die had handenvol geld in het Lisa-project gepompt en zag het apparaat op termijn als de opvolger van de Apple II. Met het vrijwel gelijktijdig mislukken van de Apple III kwamen de financiën van het bedrijf dan ook in gevaar. Daardoor zag de van het Lisa-project gestoten Steve Jobs in 1984 zijn kans schoon. Die kon met de Macintosh als een veel goedkopere ($ 2500) en snellere Mini-Lisa immers wél een winstgevende machine introduceren. Toch duurde dat nog tot ruim in 1985. De Mac werd pas een succes toen lay-outers er met pakketten als PageMaker en PostScript de gloednieuwe DTP-industrie mee uit de grond gingen stampen. Het bleek nét op tijd het enig levensvatbare alternatief voor het snel groeiende legioen IBM PC-klonen. De Lisa eindigde ondertussen inclusief een speciale Mac-compatibiliteitsmodus uiteindelijk als Mac-kloon. Zelfs de naam veranderde in 1985 uiteindelijk in Macintosh XL.

In veel opzichten gaat de Lisa de geschiedenis in als Apple’s meest roemruchte mislukking. De peperdure machine was bijna niet te betalen. Maar de Lisa werd als eerste muisgestuurde personal computer voor de massamarkt feitelijk wel de grootmoeder van alle moderne pc’s. Dubbelklikken om een programma te starten, de menubalk, met de muis versleepbare vensters, pull-down menu’s – veel begrippen die nu gemeengoed zijn, verschenen voor het eerst ten tonele op deze machine. Zowel voor de Mac als voor alle andere computers heeft de Lisa achteraf als de grote katalysator en inspiratiebron gefungeerd. Dit apparaat zette de muisgestuurde revolutie in gang, zonder er zelf van te profiteren. Als zodanig werd het Apple’s meest glorieuze flop.

Net niet, en toch: NeXT

Een andere briljante miskleun uit de Apple-geschiedenis kwam strikt genomen niet uit de Apple-keuken. Nadat Steve Jobs eind 1985 door de directie van ‘zijn’ bedrijf met veel gekrakeel de straat op was gekegeld, startte hij met enkele andere ex-Appelaars een nieuwe firma: NeXT. Die was opgezet om een superieure Unix-computer voor de universitaire wereld te ontwikkelen. Ook dit keer werd het net als bij de Lisa een prijzig fiasco, dat niet zozeer aan de computer te wijten was. De matzwarte NeXT-Cube was rond 1989 een design-juweel, een esthetisch en technologisch pronkstukje. Het muisgestuurde NeXTStep-Unix dat Jobs en consorten ervoor ontwikkelden was het meest gebruiksvriendelijke en vooruitstrevende in de business. Maar een verkoopsucces bleek het evenmin. Jobs kreeg het weliswaar nog voor elkaar dat Canon en IBM tevergeefs miljoenen in het bedrijf pompten, zonder daar uiteindelijk echter een dollarcent van terug te zien. De PC-klonenconcurrentie was echter inmiddels overweldigend en allengs minder krakkemikkig dan voorheen. Aan het begin van de jaren negentig was het vrijwel met NeXT gedaan. Het bedrijf produceerde toen uitsluitend nog NeXTStep, onder meer voor de PC.
Uiteindelijk schreef de NeXT echter wel één invloedrijke voetnoot in de geschiedenis. In 1991 was het de computer waarop in het CERN-onderzoekscentrum het World Wide Web werd ontwikkeld. Dankzij dit systeem van onderling gekoppelde en via de muis ‘bladerbare’ pagina’s ging het tot dan toe vrij obscure universiteitsnetwerk ‘Internet’ pas echt van start. En later vormde NeXTStep vanaf 1997 de basis voor de ontwikkeling van Mac OS X.

Te zwaar op de hand: Mac Portable

Een andere machine waarbij Apple de plank grandioos missloeg was de Mac Portable. Deze verscheen in 1989 ten tonele en was Apple’s eerste poging tot het bouwen van een draagbare computer. Voor de benodigde technische expertise op het gebied van miniaturisatie ging de club uit Cupertino in Japan te rade bij Sony. Ondanks de beschikbaarheid van een sjiek ‘active matrix’ LCD-scherm lukt het beide bedrijven echter niet om samen een bruikbare computer te baren. De loodzuur-accu’s van het logge apparaat hielden het weliswaar urenlang vol, maar zorgden tevens voor een gewicht van circa acht kilo – zowat evenveel als een ‘gewone’ bureau-Mac. Daarbij tilden kopers niet alleen zwaar aan al die kilogrammen, maar ook aan een stevige prijs: inclusief harddisk kostte de Portable zo’n 7000 dollar. Na anderhalf jaar verdween de machine dan ook resoluut van de markt. Wel haalden Apple en Sony later nog het een en ander uit hun investeringen in de geflopte ‘luggable’. Een deel van de Portable-technologie gebruikten ze voor de ontwikkeling van hun volgende project: de PowerBook. Met zijn lagere gewicht en uitgekiende vormgeving scoorde Apple daarmee in 1991 wél meteen een hit. Op den duur werd de PowerBook-lijn zelfs minstens even populair als Apple’s desktop-Macs.

Apple’s eigen Internet: eWorld

Met de opkomst van het Internet vanaf 1991 zag ook Apple de mogelijkheden van dit nieuwe medium. Net als Microsoft en diens MSN wilde het bedrijf er een compleet eigen hoekje inrichten voor ‘zijn’ gebruikers. Daarbij bouwde de computermaker voort op het bescheiden succes van een eerder intern netwerk: AppleLink. Dit richtte zich voornamelijk op dealers en het aanbieden van betaalde Mac-support. De computerbouwer werkte hierbij samen met het bedrijfje QuantumLink, dat later zou uitgroeien tot America Online (AOL).
In 1994 introduceerde dit duo een openbare en uitgebreide versie op het Internet onder de naam eWorld. De toenmalige populariteit van online-gemeenschappen als The Well en De Digitale Stad diende daarbij min of meer als voorbeeld. Klikbare plaatjes van een klein Internet-dorp zorgde als metafoor voor de grafische bediening. Gebruikers konden zo toegang krijgen tot een ‘marktplaats’ voor de laatste Mac-aanbiedingen en een ‘eMailCenter’ voor de elektronische post.
Nog geen twee jaar later ging eWorld echter alweer ten onder. Onder het bewind van Michael ‘The Diesel’ Spindler verging het Apple financieel steeds slechter. De firma moest flink bezuinigen en de topman besloot al snel dat er voor eWorld geen reclamebudget aanwezig was. Ondertussen stoomde de concurrentie op volle kracht richting huiskamers met diensten als CompuServe, AOL, Prodigy en MSN. Daarbij rekende Apple een stevig maandtarief van tenminste $ 8.95 voor slechts enkele uurtjes ‘Internetten’ per dag. Op het moment dat zwaargewichten als AOL al konden schermen met miljoenen abonnees, telde eWorld naar schatting nog minder dan 120.000 gebruikers. Spindler’s opvolger Gil Amelio draaide het project dan ook al snel de nek om. In maart 1996 gingen in eWorld voorgoed de lichten uit.

Vallen als een baksteen: QuickDraw GX

Het grafische systeem van de eerste Macs leunde zwaar op de onderliggende grafische software ‘QuickDraw’. Tegen het begin van de jaren negentig begon dit echter te verouderen. Apple werkte hard aan een opvolger en pompte daar miljoenen dollars en manuren in. Het resultaat heette QuickDraw GX. Begin 1995 presenteerde de computerbouwer dit als hét meest geavanceerde systeem voor grafische bewerkingen en printertechnologie.
Jammer genoeg hadden veel ontwikkelaars ondertussen hun software echter al opgebouwd rond PostScript in combinatie met het ‘oude’ QuickDraw. Het nieuwe systeem bleek ingewikkeld, moeilijk aan te passen en maar deels compatibel met andere software. Bovendien vergde het veel van de hardware – wie geen snelle, prijzige Mac met veel geheugen had aangeschaft liep al snel tegen tal van beperkingen aan. Vooral door de complexiteit van de topzware GX-software bleek het systeem bij softwaremakers al snel impopulair. Zelfs Apple leverde na enige tijd zelf al geen speciale GX-drivers meer voor sommige van de eigen printers. Kort na 1995 zag de toekomst van QuickDraw GX er alweer inktzwart uit, en met de introductie van MacOS 8 in 1998 was het duidelijk verleden tijd.

Nog meer geldverslinders: PowerTalk en OpenDoc

De problemen van Apple in de jaren negentig waren deels terug te voeren op de structuur van het eigen middenkader. Onder het Sculley-regime hadden veel managers van allerlei afdelingen de vrije hand gekregen. Die lieten zich niet onbetuigd en staken vol enthousiasme veel geld en mankracht in allerlei afzonderlijke projecten. Een ervan was PowerTalk. Dit e-mailsysteem zou de wildgroei aan opkomende mailsoftware moeten beteugelen door alle elektronische post binnen één eigen mailbox-structuur te beheren. Jammer genoeg was het resultaat nergens compatibel mee; niet met andere platforms en zeker niet met veel andere populaire e-mailprogrammatuur. Noch binnen bedrijfsnetwerken, noch op het snel opkomende Internet kreeg PowerTalk voet aan de grond. Het gat van de deur verscheen daarom ook hier al snel wagenwijd in beeld.

Een ander miljoenenvretend ‘pet project’ van het Apple-management was vanaf 1992 het roemruchte OpenDoc. De computermaker had dit weliswaar samen met IBM en Sun Microsystems ontworpen als platform-onafhankelijk systeem. Maar ook hier gold weer: nergens compatibel mee, en soms niet eens met zichzelf. De kern van OpenDoc was een nieuw documentformaat, gebaseerd op een onderliggende softwarelaag die verschillende media kon laten samensmelten. Als zodanig beconcurreerde Apple er tevens Microsoft mee, met diens populaire Office-programmatuur en het bijbehorende Object Linking and Embedding (OLE). Gebruikers konden hiermee film-, geluids- en videobestanden als het ware in één document samenknopen. OpenDoc kon dat ook, maar deed het alleen op zijn eigen manier. Enkele programma’s die het systeem actief ondersteunden zagen wel het levenslicht, zoals de tekstverwerker Wav en de ‘multimedia-webbrowser’ CyberDog. Adobe’s eigen PDF-formaat bleek op de Mac inmiddels echter al stukken populairder. Toen Steve Jobs in 1997 bij het financieel zwaar noodlijdende Apple terugkeerde, was het daarom al snel met OpenDoc gedaan. Na zijn interne machtsgreep binnen het bedrijf zette de Amerikaan vrijwel meteen een pistool tegen de kern van het project en haalde zonder mankeren de trekker over.

Slecht gespeeld: de Pippin

Een andere markt waar Apple medio jaren negentig een oogje op had was die van de games. Deze had zich geleidelijk ontwikkeld van een miljoenen- tot een miljardenbusiness. Daar vielen uiteraard wel de nodige graantjes mee te pikken; in dezelfde tijd ontbrak echter het geld om direct met giganten als Sony en Nintendo te gaan concurreren. Daarom graaiden de ontwerpers in Cupertino stilletjes wat al langer voorhanden standaardcomponenten bij elkaar. Een 66 MHz PowerPC 603e-processor, een uitgeklede miniversie van het MacOS, een cd-rom drive. Het idee was om een spelconsole te produceren die ook als multimedia-computer aan de tv in de huiskamer zou kunnen staan. Apple zou deze door het voornoemde geldgebrek niet zelf op de markt brengen, maar wel in licentie geven. Alleen de Japanse games-gigant Bandai zag echter brood in de machine. Onder die naam verscheen de Pippin rond 1996 daarom in een beperkte oplage van enkele duizenden exemplaren op de markt. Het apparaat bleek echter groot, zwaar, duur (circa $ 600) en nog aan de langzame kant ook. Voor het MacOS waren er bovendien véél minder kant-en-klare games op cd-rom beschikbaar dan voor de PC of de Playstation. Daarom gold ook voor de Pippin al snel ‘Game Over’.

Te hoog gegrepen: Copland

Een van Apple’s meest fameuze mislukkingen was rond 1995 het Copland-project. Dit was in veel opzichten uit nood geboren, omdat het bestaande MacOS niet meer voldeed. Oorspronkelijk ontworpen voor een kleine, eenvoudige computer kon het de alsmaar groeiende lijst van uitbreidingen in Systeem 7.5 niet meer aan. Het geheel werd geleidelijk topzwaar, instabiel en ging lijden aan acute feature bloat. Met alle toevoegingen (inclusief alle bijkomende complexiteit van PowerTalk, OpenDoc, QuickDraw GX, WorldScript, AppleGuide enzovoort) was het niet van crashbescherming voorziene MacOS langzamerhand meer een last dan een lust voor de programmeurs. De software liep steeds sneller vast en werd alsmaar ingewikkelder. Op het laatst kon Apple het zelf ook niet meer bijbenen; de firma had maar liefst vijf verschillende revisies van Systeem 7.5.3 nodig om het zaakje nog enigszins bruikbaar te houden. Pas in Systeem 7.6 vertoonde het geheel enige tekenen van herstel en ging de stabiliteit er iets op vooruit.

Met versie 7.7 (beter bekend als MacOS 8, zodat Apple dit als een nieuwe versie kon verkopen) was de situatie weer min of meer onder controle. Maar het onderliggende probleem bleef onopgelost. Er moest een nieuw MacOS komen. Een mét protected memory voor crashbescherming, mét adequate ondersteuning voor multitasking en mét ingebouwde support voor het Internet. Met het Copland-project probeerde Apple dit te realiseren door helemaal opnieuw te beginnen. De firma had met A/UX weliswaar al een eigen Unix in huis dat ook Mac-programma’s kon draaien, maar het gebruik daarvan druiste in tegen de bedrijfscultuur. Alles zélf doen was in die dagen het motto. De ontwikkeling van het fonkelnieuwe allround-systeem Copland zou dat andermaal moeten bewijzen – maar het liep anders. Apple zat inmiddels zwaar in financiële nood door de alsmaar aanhoudende soft- en hardwareproblemen. Het tijd- en geldverslindende Copland kwam bovendien maar niet uit de verf. Om de zaken nog te redden moest de firma razendsnel het roer omgooien, en buiten de deur gaan ‘shoppen’ naar een bijna kant-en-klaar besturingssysteem dat wél over alle gewenste eigenschappen beschikte.

Dat werd uiteindelijk de Unix-variant NeXTStep en als publicitair gunstige bonus kreeg het management er voormalig oprichter Steve Jobs gratis bij. Die werkte dezelfde bestuurders echter binnen de kortste keren de deur uit, en liet de al enigszins bruikbare onderdelen uit het gedoemde Copland-project slopen. Zaken als een betere zoekfunctie en een fraaier uiterlijk bleken bruikbaar om MacOS 8 en 9 mee op te leuken, en tijd te rekken totdat het op NeXTStep gebaseerde Mac OS X af was. Copland zelf, dat nooit verder kwam dan enkele testversies op de eerste PowerMacs, was met zijn al te ambiteuze doelstellingen daarna hoogstens het symbool voor een angstwekkend groot debacle. Minder een schoolvoorbeeld van hoe het niet moest, dan van hoe het in elk geval niet kón.

Vierkant vergist: de Cube

In het OS X-tijdperk kleunde Apple de eerste jaren minder vaak mis door vooral mínder te produceren. Het bedrijf concentreerde zich onder opperhoofd Jobs gaandeweg op slechts enkele cruciale projecten, zoals de iMac en Mac OS X. Toch was er ook in het jaar 2000 nog ruimte voor een flinke misrekening. Deze kwam in de vorm van de oh zo fraai ontworpen PowerMac G4 Cube. Steve Jobs himself had er alle vertrouwen in dat dit compacte juweeltje de markt voor middenklassers zou veroveren. Niemand zou immers het sjieke design kunnen weerstaan, dat met zijn glasachtige Lexan-behuizing allerwegen prijzen in de wacht begon te slepen. De markt besliste echter anders: al een jaar later verdween de Cube alweer uit het Mac-assortiment.
Het apparaat bleek weliswaar fraai, maar niet bijster handig in het gebruik. Met minimaal $ 1800 was de prijs hoger dan beter uitbreidbare PowerMacs. Een slecht functionerende aan/uit-schakelaar zorgde daarnaast ook nogal eens voor ergernis. Door de overgevoelige tiptoetsbediening ging de hardware hierdoor regelmatig spontaan ‘op zwart’. Productieproblemen zorgden daarnaast nogal eens voor ontsierende strepen of scheurtjes in de behuizing. Bovendien: als je maar naar de glinsterende glaskubus kéék, zaten er al vingerafdrukken op – en zoiets past nu juist niet bij de elegante uitstraling. Als design-icoon was de prijzige Cube dan ook bepaald geen mislukking, maar als klantenlokker wel. Er waren praktischer en goedkoper alternatieven. Apple zelf kwam enkele jaren later nog wel enigszins op het idee van een compacte blokvormige computer terug, in de vorm van de meer succesvolle Mac mini.

Fraaie flops

Feitelijk is dit slechts een klein uittreksel van alle miskleunen die Apple door de jaren heen heeft geproduceerd. Er valt uit diens blunderlijst nog van alles te vermelden: GeoPort. QuickTake. Publish & Subscribe. De Newton (die echter pas goed flopte na de introductie van de veel kleinere Palm handcomputer). De Digital Signal Processor ofwel DSP-chip in de AV-Quadra’s. Pink, Kaleida en Taligent. Het oh zo fraaie maar overcomplexe AppleGuide. Het afwijzen van Bill Gates’ idee toen die in 1985 voorstelde om het kersverse MacOS aan andere computermakers in licentie te geven. De talloze Performa-modellen, die Apple op het laatst zelf niet eens meer uit elkaar kon houden. De Mac TV. Sommige oudere Mac-gebruikers zullen de namen wellicht nog herkennen, en mogelijk schieten er hier en daar zelfs wat tranen in de ogen. De lijst van Apple-miskleunen is dan ook lang – té lang om ze hier allemaal te vermelden. Alleen een dik boek zou recht doen aan het complete verhaal van alle missers uit Cupertino. Gelukkig voor het bedrijf zijn er anderzijds genoeg successen geweest. En we moeten het Apple nageven: wanneer ze flopten, deden ze dat vaak grandioos.

Ruud Dingemans

Tekst door Ruud Dingemans

Ruud Dingemans was een journalistiek redacteur voor onder diverse Apple en Amiga magazines. Hij heeft in zijn carrière ontzettend veel teksten geschreven. Een aantal daarvan zijn teruggevonden tussen zijn bezittingen. Ik wil hiermee een eerbetoon geven aan Ruud, zodat zijn nalatenschap voor zover mogelijk is nog voor velen beschikbaar zal zijn in de toekomst.

Meer achter het verhaal hoe ik kennis maakte met zijn broer Mario en familie kun je hier lezen.

(Mocht blijken dat op bepaalde artikelen copyright berust, dan laat het weten en zal ik het weghalen. Echter, houd er rekening mee dat met deze publicaties geen geld wordt verdiend, maar dit enkel een eerbetoon is aan Ruud)

The last comment needs to be approved.
0 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Web Analytics