Jubileum: dertig jaar Apple, een terugblik

Dit is een tekst geschreven in 2006 (om je een indicatie te geven naar het tijdsbeeld van een groot Apple kenner op dat moment)

DERTIG JAAR NA DATO

Vele malen doodverklaard, en altijd weer teruggekomen. Vele malen aan de afgrond gestaan, en altijd weer omgekeerd. Vele malen kleiner dan echte industriegiganten als HP of IBM, en toch even invloedrijk. Apple’s bedrijfsgeschiedenis is er een van uitersten. In 2006 bestaat de firma ondanks zijn turbulente historie alweer dertig jaar. Drie decennia, die mede door Apple zijn getekend – zowel in technologisch als in esthetisch opzicht. Zonder Lisa, Mac, iMac en iPod zou de wereld er immers heel anders uitzien.

De voorgeschiedenis van Apple is inmiddels genoegzaam bekend. Twee min of meer gesjeesde studenten, drop-outs in zowat elke zin van het woord, die samen in een garage een computerbedrijfje zijn begonnen. In de Amerikaanse zakenwereld behoort het verhaal langzamerhand tot de financiële mythologie. Wozniak en Jobs, zij zouden het allemaal zijn gestart, ergens in de lente van 1976. Minder bekend is dat er ook andere partijen bij waren betrokken.

DOLLARS IN DRIEVOUD

Een van hen is Ron Wayne. Bijna niemand in de Apple-wereld kent zijn naam. Toch was hij officieel de derde oprichter van Apple. Nadat Steve Jobs de andere Steve (Wozniak) had overgehaald om diens zelfgebouwde computer in serie te gaan produceren, raakte hij bij het Apple-I project betrokken. Met deze miniatuurcomputer, feitelijk een kale printplaat met wat chips rond de goedkope 6502-processor, wilden de twee Steves hun visitekaartje afgeven en eventueel zelfs wat geld verdienen. Veel meer dan een hobbyproject was het echter nog niet. Jobs had een baantje bij spellenfabrikant Atari; Wozniak werkte als hulpje bij Hewlett-Packard. Geen van beide bedrijven toonde anno 1975 echter interesse in de productie van een goedkope ‘persoonlijke computer’.
Toch hadden veel hobbyisten belangstelling voor Wozniak’s ingenieuze ontwerp. Steve Jobs zag daardoor wél kansen om het commercieel te gebruiken. Na de afwijzing van hun beider werkgevers leek zelf produceren en een eigen bedrijfje oprichten daarvoor echter de enige oplossing. Een lokale computerhandelaar wilde de Apple-I wel verkopen, maar alleen compleet gebouwde exemplaren. Jobs verkocht daarom zijn Volkswagenbusje en Wozniak maakte zijn kostbare HP-65 calculator te gelde. Om bij eventuele zakelijke conflicten de knoop te kunnen doorhakken zocht het duo tegelijkertijd een derde partner. Dat werd Ron Wayne, een kennis van Jobs die bij Atari een wat hogere positie bekleedde. Hij zag wel brood in hun project. Jobs bood hem prompt een aandeel van tien procent in hun toekomstige ‘bedrijf’ aan. Wayne hapte toe, werkte ‘s avonds aan de documentatie voor de computer en op 1 april 1976 was Apple Computer een feit.

Het bedrijf raakte zijn derde oprichter echter ook snel weer kwijt. Met de order voor tenminste enkele tientallen Apple-I’s was weliswaar zo’n $ 25.000 gemoeid, maar onderdelen of productiefaciliteiten had de firma-in-oprichting niet. De jeugdige, ambitieuze Jobs stak zichzelf en de firma daarop vol vertrouwen in de schulden en de twee Steves sloegen aan het solderen in respectievelijk Jobs’ slaapkamer en de garage.
Wayne was minder optimistisch. Die had eerder al het failliet van een eigen bedrijfje meegemaakt en was niet helemaal overtuigd dat de computerwinkel de bestelling ook daadwerkelijk zou betalen. Met het (toendertijd aanzienlijke) risico van een prijzige mislukking in het achterhoofd, haakte de 41-jarige Wayne uiteindelijk af. Hij hielp nog wel mee met de voorbereidingen, maar liet zich na twee weken voor $ 800 uitkopen. Na een carrière als ontwerper bij diverse elektronicabedrijven emigreerde hij uiteindelijk naar Nieuw-Zeeland. Van zijn beslissing om Apple vroegtijdig te verlaten heeft hij naar eigen zeggen nooit spijt gehad, “want gezien de informatie die ik toen voorhanden had, was dit het juiste besluit”. Uiteindelijk kwam computerhandelaar Paul Terrell echter toch over de brug. Hij verkocht enkele honderden Apple-I computers voor $ 666 per stuk, en bezorgde Apple Computer zijn eerste winst van circa 8000 dollar.

JACHT OP KAPITAAL

Dat was veel meer dan Jobs en vooral Wozniak hadden verwacht. De laatste liep alweer rond met een nieuw ontwerp voor een nog betere machine, de Apple II. Die zou inclusief behuizing heel wat bruikbaarder zijn dan zijn voorganger, de kale printplaat. Met kleurenbeeld, een heus toetsenbord, Wozniak’s BASIC-programmeertaal aan boord en uitbreidingsmogelijkheden via insteekkaarten was de Apple II al een echte mini-computer voor thuisgebruik.
Steve Jobs zag vooral de commerciële mogelijkheden van de Apple II. Die zou voor een veel groter publiek toegankelijk zijn dan een kale printplaat vol chips. Wozniak zelf, de ingenieur, was al lang blij dat de Apple-I een extra zakcentje had opgeleverd. Jobs daarentegen kon zich soms zo intens met iets bezig houden, dat hij letterlijk een aardbeving niet eens opmerkte. De jonge Amerikaan benaderde zijn voormalige werkgever Bushnell wat later met het verzoek om advies bij het zoeken naar investeringskapitaal. Via diens contacten kwam het clubje aankomende Apple-ondernemers in aanraking met de 34-jarige ‘Mike’ Markkula, een ex-manager van Fairchild Semiconductor. Deze had met aandelen van destijds snel groeiende chipfabrikanten al een klein fortuin gemaakt. Ook hij zag brood in de Apple II, en liet zich inclusief zakelijke ervaring en connecties overhalen om een heus ondernemingsplan voor Apple op te zetten.

Markkula pakte de zaken meteen veel groter en professioneler aan. Allereerst zorgde hij voor het nodige startkapitaal voor de lancering van de veelbelovende Apple II, door een eigen investering van bijna 100.000 dollar en een bankkrediet van zo’n $ 250.000. Daarnaast stelde de financier zijn ex-Fairchild-collega Mike Scott aan als Apple’s eerste president-directeur. Onder toezicht van Jobs en art director Rob Janoff ontstond Apple’s inmiddels wereldberoemde logo – toen nog met regenboogstrepen – en werd een advertentiebureau ingehuurd (Regis McKenna) voor de promotionele activiteiten.
In april 1977 presenteerde Apple zichzelf voor het eerst officieel op de West Coast Computer Faire-computerbeurs in San Francisco. Het product: de Apple II met kleurenbeeld en maximaal 48 Kilobyte RAM-geheugen. Vergeleken met de concurrentie had Apple de zaken goed voor elkaar. Steve Jobs had een stand direct bij de ingang geregeld om meteen de aandacht van bezoekers te trekken. Een groot oplichtend logo boven de stand zorgde er bovendien voor dat de Apple-presentatie er professioneler uitzag dan de meeste andere deelnemers. Die waren voornamelijk afkomstig uit hobbyistenclubs, zodat een andere factor ook een doorslaggevende rol speelde: timing.

BYTES OP TIJD

Voor Apple was die nagenoeg perfect. Niet alleen waren de meeste andere concurrenten op de nog piepjonge personal-computermarkt een- of tweemansbedrijfjes, ook de ‘grote’ partijen hadden nauwelijks producten in huis die met Steve Wozniak’s compacte en elegante ontwerp konden wedijveren. Het merendeel bestond uit bouwdoospakketten voor – alweer – techneuten en de hobbyistenmarkt. Machines voor kantoor of thuisgebruik waarmee je echt wat kon doén waren nog uiterst dun gezaaid. Alleen het verhoudingsgewijs veel grotere Commodore had met de PET 2001 de eerste echte kant-en-klaar bruikbare computer in huis. Die had vergeleken met de Apple zelfs een ingebouwde monitor en een lagere prijs ($ 795 tegenover $ 1295). Maar ook een veel slechter toetsenbord en dito uitbreidingsmogelijkheden. Het apparaat was net als de Apple gebaseerd op de 1 MHz 6502-processor, die Commodore een jaartje eerder inclusief producent MOS Technologies had opgekocht. (Eerdere onderhandelingen over de eventuele verkoop van Apple aan Commodore waren bij een verkoopprijs van $ 100.000 wegens wederzijds wantrouwen gestrand. Uiteindelijk ging Commodore na aanvankelijke successen als de C64 en de Amiga in 1994 definitief failliet.)

Net als de PET en de TRS-80 van elektronicaconcern Tandy verkocht de Apple II door zijn doordachte ontwerp al gauw heel behoorlijk. Al na een paar maanden kwamen de eerste winsten in zicht. De verkopen schoten echter plotseling als een raket omhoog door de introductie van twee nieuwe aanvullende producten. Dat waren de Apple-diskdrive en het allereerste spreadsheet-rekenprogramma Calculedger. Nadat dit in 1979 tot VisiCalc was omgedoopt, kreeg ‘de personal computer’ voor het grote publiek voor het eerst een unieke meerwaarde. Dit eenvoudige elektronische rekenvel kon boekhouders en managers wagonladingen tijd en moeite besparen. Bovendien draaide het vooralsnog alléén op de Apple II. In combinatie met Visicalc en de diskdrive had deze machine voor het eerst een echt bruikbare personal computer opgeleverd. Het gevolg: de miljoenen stroomden binnen.

KLAPPER OP DE BEURS

Niet iedereen profiteerde evenveel van Apple’s opmars binnen de industrie. Weliswaar werd Ron Wayne eind 1977 nog onverwacht verblijd met zo’n $ 1700 als officiële ‘uitkoop-bonus’ (om eventuele latere rechtszaken te voorkomen), maar het grote geld kwam pas echt binnen toen het bedrijf naar de beurs ging. Apple was door het succes van de II inmiddels al een redelijk gevestigde naam. Bij de introductie in december 1980 steeg het aandeel dan ook binnen een dag van $ 22 naar $ 29. Daarmee was de firma meteen zo’n anderhalf miljard dollar waard. Binnen de kortste keren was zowat het complete Apple-management multimiljonair. Veel werknemers uit de beginperiode deelden mee in het financiële succes, maar andere technici niet. Steve Jobs was er de man niet naar om intern cadeautjes uit te delen. Niet iedereen die al tijdens of net na de garage-periode erbij was, kreeg de kans om gunstig aan Apple-opties te komen. Steve Wozniak daarentegen – die van zichzelf toch al vond dat hij wel érg veel kreeg betaald – wilde iets doen aan de in zijn ogen scheefgegroeide situatie. Via een eigen ‘WozPlan’ regelde hij dat een tachtigtal technici alsnog tegen gunstige voorwaarden aan opties konden komen. Door de latere koerswinsten van Apple leverde dat vaak alsnog aardige kapitaaltjes op.

Niettemin hield het grote succes in eerste instantie niet aan. Al in 1980 raakte Steve Wozniak zwaar gewond bij een ongeluk met zijn privé-vliegtuig en moest de toptechnicus een tijdlang afhaken. Financieel ging het Apple tegen het einde van dat jaar evenmin voor de wind. Het snel gegroeide bedrijf moest op ‘Black Wednesday’, 25 februari 1981, alweer 1500 medewerkers ontslaan. Bovendien kon het succes van de Apple II niet blijven duren. De bedrijfsleiding speelde daar in 1979 alvast op in door een aantal min of meer onafhankelijke research-projecten te starten, waaronder ‘Apple III’, ‘Lisa‘ en ‘McIntosh’. De eerste werd door een gebrekkig ontwerp en technische problemen een enorme flop. De tweede ontketende als eerste muisgestuurde personal computer een revolutie in computerland. Ook deze machine flopte echter in de markt door zijn meer dan gepeperde prijsstelling van $ 10.000 per stuk. (De geschiedenis van Lisa en de Mac beschreven we eerder onder meer in MacFan•50 – red.)

DE BLAUWE BEDREIGING

Twee andere modellen hielden het bedrijf echter boven water. Tot 1984 was het vooral de verbeterde en goedkoper te produceren Apple IIe die voor gestage inkomsten bleef zorgen. Daarna ging de Macintosh van start. Met een duidelijk lagere prijs van $ 2500 had deze snellere ‘mini-Lisa’ wél kansen op de computermarkt. Dat was wel nodig ook, want bij de concurrentie was industriegigant IBM door het aanhoudende succes van de Apple II inmiddels wakker geworden. Het bedrijf had in 1981 een eigen ‘personal computer’ gelanceerd, model 5150, min of meer in elkaar geflanst uit goedkope standaardcomponenten. De enige chip die ‘Big Blue’ helemaal zelf bijdroeg was het BIOS, die het opstarten van de computer regelde. Als besturingssysteem had IBM een licentie genomen op Microsoft’s MS-DOS, alias QDOS, een voor enkele tienduizenden dollars ingekochte kloon van het destijds populaire besturingssysteem CP/M. Mooi was het in technisch opzicht allemaal niet, maar het werkte. En omdat er ‘IBM’ op stond, groeide dit computermodel al snel uit tot officieuze industriestandaard.
IBM zelf profiteerde achteraf niet zoveel van dit succes. Door het gebruik van goedkope standaard-componenten bleek zowat iedere computerbouwer – Compaq voorop – het ontwerp te kunnen namaken. Na het BIOS door middel van het zogeheten reverse engineering legaal te hebben gekloond, hoefde je feitelijk alleen nog een licentie voor MS-DOS bij Microsoft aan te schaffen. IBM had verzuimd om zich de exclusieve rechten toe te eigenen (computers namaken was destijds nog geen usance). Microsoft-baas Bill Gates had met de mogelijkheid van pc-klonen echter wél rekening gehouden. Zijn firma groeide dan ook binnen de korste keren uit tot dé zwaargewicht op softwaregebied. IBM had het nakijken, terwijl de IBM-pc wel tot het referentie-ontwerp van de industrie was uitgegroeid. Concurrenten als Commodore, Tandy, Acorn, Epson en Atari zagen hun eigen ontwerpen uiteindelijk allemaal van de markt verdwijnen. Slechts één bedrijf bleef in dat opzicht uiteindelijk overeind: Apple.

EERST VET, DAN DUUR

Toch ging dat uiteindelijk niet zonder horten of stoten. Sterker nog: in financieel opzicht ging het fortuin van Apple als een eersteklas achtbaan op en neer. Al vlak na de introductie van de Macintosh stortte de markt voor deze machines alweer bijna in. Het apparaat had weinig geheugen, liet zich nauwelijks uitbreiden en afgezien van MacWrite en MacPaint bleek er nauwelijks software voorhanden. Pas na de introductie van de ‘Fat Mac’ met 512 Kb geheugen in 1985 keerde geleidelijk het tij. Rond die tijd introduceerde Aldus zijn inmiddels roemruchte programma PageMaker: het eerste muisgestuurde desktop publishing-pakket ter wereld. Hordes lay-outers zagen daarin ogenblikkelijk de revolutionaire vervanger van het aloude knip- en plakwerk en stortten zich massaal op de Mac. En weer gold aanvankelijk dat de software alleen draaide op een Apple-machine. Mede door het bewind van de toenmalige topman John Sculley werd de Macintosh geleidelijk aan een meer professionele én dure computer. Een beetje Mac kostte destijds al gauw zo’n zes- tot negenduizend ouderwetse guldens. Voor de gewone gebruiker bleef daardoor alleen de pc als alternatief. De computerbouwer zelf legde deze aanpak echter geen windeieren: de waarde van het aandeel steeg rond 1990 tot boven de 30 dollar. Met enkele miljoenen enthousiaste gebruikers was de Mac ook zijn aanvankelijke imago van ‘speelgoedcomputer’ goeddeels kwijtgeraakt.

Juist door deze exclusiviteit vielen de omzetten echter langzamerhand in het niet bij die van de talloze pc-klonenbouwers – en hun trouwe leverancier, Microsoft. Door een overvloed aan modellen (Performa, Quadra, Centris, enzovoort), talloze mislukte projecten en een verwarrende productpolitiek raakte Apple in de jaren negentig geleidelijk in een crisis. De vaak onberekenbare Steve Jobs was al in 1985 door ex-compaan Sculley de laan uitgestuurd, en hield zich bezig met het weinig succesvolle NeXT, dat peperdure werkstations voor de educatieve markt produceerde. Nieuwe bedrijfsleiders als Spindler en Amelio konden bij Apple ondertussen het tij niet keren. Rond 1997 leek het met de computermaker gedaan. Het aandeel stortte omlaag naar rond de $ 10 en achter de schermen werden voorbereidingen getroffen voor serieuze overnamegesprekken (onder meer met Philips en Sun).

HET WANKELE FRUIT

Een deel van de problemen was te wijten aan een overvloed aan weinig aansprekende producten. Zodra Apple met vergelijkbare machinerie met de massa pc-klonen probeerde te concurreren, was de Mac niet ‘bijzonder’ meer. De vormgeving trok steeds minder de aandacht. Het onderscheid tussen Mac en pc begon langzaam te vervagen. Met Windows95 had de doorsnee-gebruiker immers zelf ook een min of meer bruikbare muisgestuurde computer gekregen. Bij het MacOS daarentegen hadden programmeurs jaar na jaar alsmaar meer functies en extra’s bovenop het verouderende besturingssysteem gestapeld. Dat was echter ontworpen voor een kleine, eenvoudige machine zonder veel uitbreidingsmogelijkheden. Rond 1996 wankelde het systeem praktisch onder het gewicht van zijn eigen complexiteit. De architectuur van het MacOS zat zichzelf uiteindelijk in de weg. Het geheel werd alsmaar onstabieler en alleen al voor het uitbrengen van Systeem 7.5.3 had Apple uiteindelijk drie verschillende software-revisies nodig. Als alternatief had de computerbouwer vanaf 1991 weliswaar een eigen Unix-variant in huis (A/UX). Dit kon Mac-software draaien en was wél opgewassen tegen complexe taken. De firma deed daar echter weinig mee, en gebruikte het alleen voor een beperkt aantal server-systemen.

Niet alleen was de situatie in technisch opzicht weinig rooskleurig; het bedrijf had tevens weinig speelruimte voor nieuwe investeringen. Apple was weliswaar een van de snelst groeiende bedrijven uit de Amerikaanse bedrijfsgeschiedenis geweest, én had de meest succesvolle reclamespot aller tijden uitgebracht (‘1984’). Maar inmiddels zat de firma uiterst krap bij kas. Teveel geldverslindende projecten (OpenDoc, eWorld, QuickDraw GX) waren in eerdere jaren zonder succes uitgebracht. Vooral de halfslachtige en mislukte poging om een nieuw, moderner Mac-besturingssysteem te schrijven – codenaam ‘Copland’ – had veel dollars en goodwill gekost. Ook het in licentie geven van het MacOS aan een beperkt aantal Mac-klonenbouwers leverde uiteindelijk weinig op.
Daar kwam nog bij dat de oorlogskas van de concurrentie, met name die van Microsoft en de grote klonenbouwers, ondertussen wél stevig was gegroeid. Het bedrijf van Bill Gates had inmiddels al de eerste versies van een compleet nieuw pc-besturingssysteem uitgebracht, Windows NT (later XP). Technisch was dit veel minder gammel dan alle voorgangers die op basis van het oude MS-DOS waren ontworpen. Eenmaal volwassen zou dit systeem de concurrentie met echt professionele Operating Systems als Unix aankunnen – in elk geval theoretisch. Apple daarentegen moest voor een nieuw MacOS na het mislukte Copland-project snel grijpen naar een noodoplossing. En die mocht de financiën nog niet te veel belasten ook.

TERUG OP HET NEST

Eind 1996 hakte de bedrijfsleiding uiteindelijk de knoop door. Gil Amelio kreeg toestemming om een nieuw besturingssysteem ‘buiten de deur’ in te kopen. Hij liet Apple kijken naar twee kandidaten: BeOS van Be Inc (opgericht door ex-Apple-topman Jean-Louis Gassée) en NeXTStep (uitgedokterd onder leiding van ex-Apple-topman Steve Jobs himself). Hoewel technisch doordacht, viel de BeOS-software al snel af: te nieuw, nog nauwelijks getest en Mac-software draaien kon het systeem ook al niet. Apple koos dan ook al snel voor NeXTStep. Dit stak in veel opzichten veelbelovender in elkaar. De basis van NeXTStep was het technisch uiterst degelijke BSD Unix, wat als platform-onafhankelijk systeem zonder veel problemen naar de Macintosh-hardware kon worden overgezet. Mac-programma’s draaien deed het weliswaar evenmin, maar daar was – zeker gezien de eerdere ervaringen met A/UX – softwarematig wel een mouw aan te passen. Als bonus kreeg het verliesgevende Apple tegen de overnamesom van $ 427 miljoen dollar bovendien een publicitair gunstig extraatje: de terugkeer van verloren zoon Steve Jobs.

Die had echter zo zijn eigen agenda. Als ‘interim CEO’ werkte hij via een gestaag groeiend legertje medewerkers uit het ex-NeXT-kamp geleidelijk zowat alle medestanders van voorganger Amelio de deur uit. Eenmaal aan de macht draaide hij het kwakkelende groepje Mac-klonenbouwers doortastend de nek om, onder meer door concurrent Power Computing op te kopen. Zijn terugkeer kwam bovendien op een redelijk gunstig moment. Het MacOS was met de versies 7.6 en 7.7 (officieel MacOS 8) nét genoeg gestabiliseerd om het een tijdje uit te zingen tot de lancering van een nieuw NeXT-OS voor de Macintosh. Dit zou later de codenaam Rhapsody krijgen. Bovendien had binnenshuis de jonge designer Jonathan Ive juist de eerste ontwerpen klaar voor een kersverse consumenten-Mac, de ‘Internet Macintosh’ oftewel i-Mac.

HEUVELOP DOOR HYPE

Bij alle grote successen die Apple uiteindelijk heeft behaald toonde Steve Jobs zich weliswaar zelden de grote innovator, maar des te meer de grote motivator. Hij had vrijwel nooit het talent om de technische oplossing te zien, maar wel de succesvolle toepassing ervan. Zijn gave om anderen hiervan te overtuigen, desnoods tegen beter weten in (het fameuze ‘Reality Distortion Field’) heeft veel technische probeersels uiteindelijk tot een wereldwijd succes gemaakt. Dat dit Apple uiteindelijk ook enigszins kwetsbaar maakt zal duidelijk zijn: de eigenwijze maar charismatische Amerikaan bleek tot nu toe vaak letterlijk het kloppende hart van dit bedrijf.
Net zoals de iPod (zie voor de geschiedenis hiervan ons zusterblad iPodFan) was de iMac oorspronkelijk niet Steve Jobs’ idee. De vormgeving stond al vrijwel vast toen die bij Apple terugkeerde. Verder was het in computertechnisch opzicht weinig meer dan een aangepaste laptop die samen met een cd-drive onder een CRT-monitor was gepropt. Revolutionair was de iMac daardoor zeker niet. Maar Apple’s roemruchte gevoel voor marketing, met veel geheimzinnigheid gepaard aan een goed getimede hype, schoot met deze machine weer eens ouderwets raak. De slogan luidde in allerlei opzichten ‘Think different’. Met zijn afwijkende en radicale vormgeving bewees Apple weer eens ‘anders’ te zijn. Technisch niet noodzakelijkerwijs nieuw, revolutionair of zelfs gewoon béter, maar hoe dan ook ánders. Daardoor onderscheidde de firma zich andermaal van de nogal kleurloze massa pc-klonenbouwers. Het maakte van de iMac vanaf 1998 een wereldwijd en in de design-wereld vaak geïmiteerd succes. In zakelijk opzicht ging het Apple daarna ogenblikkelijk weer voor de wind. De miljoenen stroomden binnen en het aandeel ‘AAPL’ steeg binnen twee jaar van minder dan $ 10 naar een voorlopig hoogtepunt van bijna 70 dollar.

De kas was gespekt onder het strakke budgettaire regime van financieel directeur Fred Anderson. Dat bood ruimte voor de introductie van een tweede succesnummer: de iPod. Bij de lancering in 2001 leken voor deze muziekspeler nog geen grote successen weggelegd. Dat veranderde echter toen Apple het bijbehorende muziekprogramma iTunes ook voor de veel grotere Windows-markt uitbracht. Toen het pakket bovendien als eerste de mogelijkheid bood tot grootschalig en gebruiksvriendelijk downloaden van legale audiobestanden, was het hek compleet van de dam. Apple verkocht binnen de kortste keren jaar na jaar alsmaar méér iPods. Het apparaatje werd al gauw het succesvolste product van zijn generatie en de computerbouwer behaalde eind 2005 de grootste kwartaalwinst uit zijn geschiedenis ($ 565 miljoen). Wie het bedrijf als aandeelhouder altijd trouw was gebleven en rond 1981 een duizendtal dollars in AAPL had belegd, zag daar begin 2006 naar schatting het eenentwintigvoudige van terug.

TUSSENSTAND: NA 30 JAAR

Dat Apple uiteindelijk ook in zakelijk opzicht veel invloed heeft gehad, bewijst onder meer het nummer van BusinessWeek uit oktober 1983. Vier maanden voor de introductie van de Macintosh meldt de voorpagina droogjes, maar in grote hoofdletters: “Personal Computers… and the winner is: IBM”. Inmiddels heeft ‘Big Blue’ zich officieel uit de markt voor ‘persoonlijke computers’ teruggetrokken. Sterker nog: álle computerbouwers die in de beginperiode met Apple concurreerden zijn anno 2006 van de markt verdwenen. Bovendien boorde de computermaker met de iMac en de iTunes Store zélf compleet nieuwe markten aan. Met de iPod verkocht het bedrijf anno 2005 uiteindelijk zelfs beter dan elektronicagigant Sony, die in de vroege Apple-dagen met zijn Walkman nog praktisch onverslaanbaar leek. En, minstens zo opmerkelijk: de fan-gemeenschap die vrijwel direct na de introductie van de Macintosh opstond en Apple door zijn trouwe (ver)koopgedrag door de moeilijkste periodes heen sleurde, bestaat ook nog steeds. Meer dan twintig miljoen Mac-gebruikers vinden dít product uiteindelijk nog altijd het beste en zijn bereid het ook daadwerkelijk te ondersteunen.

Dertig jaar na dato bewijst het zakelijke succes van Apple zich daardoor niet alleen in cijfertjes, maar ook in meetbaar enthousiasme. Het is een van de weinige bedrijven geweest die producten heeft uitgebracht die je in zekere zin ‘bezield’ kunt noemen. En Apple bleek een van de zeer weinigen die zo’n ‘ziel’ ook succesvol hebben verkocht.
Ruud Dingemans

[CITATEN:]

– “Hij was de enige persoon die ik kende die meer van elektronica wist dan ik.” – Steve Jobs
– “Steve wist niet veel van elektronica.” – Steve Wozniak

“Een Apple II kan wonderen doen voor je persoonlijke financiën.” – Alan Greenspan, in een Apple-advertentie uit 1984

“Ik ben de enige persoon die ik ken die binnen een jaar een kwart miljard dollar heeft verloren. Is goed voor je karakter.” – Steve Jobs

“IBM wil ons van de aardbodem vagen.” – Steve Jobs in 1984

“De Lisa was een geweldige machine. We konden er alleen geen verkopen.” – Bruce Tognazzini

“Goeie software is net als porno: heel moeilijk te omschrijven maar wanneer je het ziet weet je het meteen.” – Guy Kawasaki

“Iedereen die voor de eerste 128k Mac een goede applicatie kon schrijven, verdient een medaille.” – Bill Gates

“Apple heeft één leider: Steve en ik.” – John Sculley

“Als de Macintosh geen succes wordt, dan zal de markt voor de pc zijn. Maar wij zijn superenthousiast over de Mac.” – Bill Gates, 1984

“Focus draait helemaal om ‘nee’ kunnen zeggen.” – Fred Anderson

“Steve en zijn hele NeXT-team zijn de meest verrekte perfectionisten die ik ooit heb gezien.” – Ross Perot

“Ervoor ontwikkelen? Ik zou er nog eerder op pissen.” – Bill Gates over de NeXT

“Tegen de tijd dat dit artikel verschijnt, zou ik de volgende president van Apple moeten zijn.” – Larry Ellison, CEO Oracle, 1997

“Iedereen elke dag een zakje wiet geven.” – Gil Amelio over het beste medicijn voor Apple

“Als ik de baas was bij Apple, dan zou ik de Mac tot de laatste druppel uitmelken en aan de volgende grote uitvinding gaan werken.” – Steve Jobs, 1996

“De iPod gaat de manier veranderen waarop mensen naar muziek luisteren.” – Phil Schiller

– “En wat zeggen we tegen alle klanten met wie we eerder een contract voor levenslange Apple-support hebben gesloten?”
– “Just fuck ’em.” – Steve Jobs

Tekst door Ruud Dingemans

Ruud Dingemans was een journalistiek redacteur voor onder diverse Apple en Amiga magazines. Hij heeft in zijn carrière ontzettend veel teksten geschreven. Een aantal daarvan zijn teruggevonden tussen zijn bezittingen. Ik wil hiermee een eerbetoon geven aan Ruud, zodat zijn nalatenschap voor zover mogelijk is nog voor velen beschikbaar zal zijn in de toekomst.

Meer achter het verhaal hoe ik kennis maakte met zijn broer Mario en familie kun je hier lezen.

(Mocht blijken dat op bepaalde artikelen copyright berust, dan laat het weten en zal ik het weghalen. Echter, houd er rekening mee dat met deze publicaties geen geld wordt verdiend, maar dit enkel een eerbetoon is aan Ruud)

Retrocomputerverzamelaar.nl is onderdeel van TASK4 Studios
Web Analytics