Retrospectief: Tien jaar Mac OS X

TIEN JAAR MAC OS X
Rapsodie voor een sneeuwluipaard

Mac OS X is het softwarematige fundament onder de Mac en de razend populaire iOS-apparatuur zoals iPhone en iPad. Een Apple-computer blijft er vrijwel elke dag soepeltjes en zonder vastlopers mee functioneren, en dat lijkt zo vanzelfsprekend. Toch was dat een decennium geleden wel anders. Apple presenteerde in 2000 de allereerste versies van zijn OSX-systeem aan het publiek: uit noodzaak, omdat het oude Mac-besturingssysteem niet meer voldeed. Tien jaar later kijken we terug op de ontwikkeling van een systeem dat onder de codenaam ‘Cheetah’ begon als wankelend beestje, maar tot aan Snow Leopard allengs steeds scherpere klauwen kreeg.

In veel opzichten begonnen de problemen voor het oude MacOS al bij het prilste begin. De eerste Mac uit 1984 was immers een tot het uiterste geminimaliseerde muiscomputer met relatief weinig RAM. Het systeem was daarop ook geschreven en aangepast: zo compact mogelijk en met alle overbodige functionaliteit eruit gehaald.
Naarmate zowel de computer als de software verder professionaliseerden, staken deze fundamentele gebreken van het MacOS daardoor geleidelijk de kop op. Om de concurrentie uit het steeds sterker wordende pc-kamp bij te benen, voegde Apple bovendien steeds meer functies aan het systeem toe. Dat maakte de software gaandeweg steeds complexer en gevoeliger voor programmeerfouten. De programmeurs uit Cupertino moesten steeds meer updates uitbrengen om de opeengestapelde fouten uit de vorige revisies te herstellen; van Systeem 7.5.3 waren zelfs vier verschillende varianten in omloop. Het MacOS was topzwaar geworden, te gecompliceerd en soms zelfs trager dan het vaak geminachte Windows.
Apple had het probleem begin jaren negentig wel onderkend, maar ‘Copland’, zijn moderne opvolger voor het ‘oude’ MacOS, kwam technisch maar niet van de grond. Uiteindelijk flopte het project en kwam de onderneming uit Cupertino dan ook in acute tijdnood. De oplossing kwam min of meer uit eigen huis: de eerder ontslagen oprichter Steve Jobs keerde terug, inclusief een groep ontwikkelaars die wél in staat was een nieuw besturingssysteem op te zetten. Dat hadden ze al laten zien met NeXTStep van Jobs’ andere computerbedrijf.

Oude roots

De softwarematige oorsprong van Mac OS X ligt in Unix, geboren in 1969 en stormachtig gegroeid in de academische wereld. Generaties programmeurs groeiden ermee op, studeerden erop af en maakten binnen of buiten de universiteit hun eigen versies. De Berkeley Software Distribution van de University of California was Jobs al in 1985 opgevallen vanwege de betrouwbaarheid en veelzijdige inzetbaarheid. Hij koos BSD als fundament voor het NeXT-project dat kwaliteitscomputers zou moeten bouwen voor de educatieve en academische markt. Hoewel op één van die apparaten het World Wide Web zou worden ontwikkeld, brak NeXT nooit door. De business als leverancier van exclusieve kwaliteitscomputers kwam nauwelijks van de grond, mede doordat de zakenwereld alsmaar meer goedkope Windows-pc-producten ging afnemen van de destijds sterk groeiende grootheden Microsoft en Intel.
Apple was intussen naarstig op zoek naar een nieuw besturingssysteem. Na de interne flop van Copland probeerde het bedrijf de opvolger van buiten te halen. De eerste gesprekspartner was Be Inc., een bedrijf met een splinternieuw systeem voor een al even nieuwe computer. De gesprekken liepen stuk op de vraagprijs. Cupertino bood naar schatting 125 miljoen dollar, terwijl Be minstens 200 miljoen wilde zien. En dat voor een product waar Apple nog jaren werk aan zou hebben voordat het op de Mac naar de markt kon. Vervolgens kwam het Solaris-Unix van Sun nog even in beeld, en zelfs Windows NT is als noodmaatregel even overwogen. Dat geeft wel aan hoe hoog het water in Cupertino destijds aan de lippen stond.
De uiteindelijke redder van de Mac kwam pas in beeld toen NeXT-projectmanager Garrett Rice in november 1996 zonder medeweten van Steve Jobs contact opnam met Ellen Hancock en andere topmensen bij Apple. Die zagen de voordelen wel van een beproefd Unix-systeem met muisbesturing. Het NeXTStep-OS bood de meeste voordelen van Be zonder de allergrootste nadelen. Een gloedvol betoog van meesterverkoper Steve Jobs deed de rest. Een maand later was Mac OS X verwekt als consequentiekindje van een afgeleefd systeem, een vondst zonder marktaandeel en een belofte die te vroeg piekte: het klassieke MacOS, NeXTStep en Be.

Uit nood geboren

De aankoop van 427 miljoen dollar was nog lang niet bedrijfsklaar. NeXTStep ondersteunde de PowerPC-processor van de Mac aanvankelijk niet en kon geen enkel bestaand Mac-programma draaien. Daarom zou het oude Mac-systeem via API-emulatie binnen het nieuwe systeem in een eigen ‘virtuele doos’ draaien: de Blue Box, de latere Classic-modus. De nieuwe Yellow Box stond voor de veelbelovende toekomst.
Het NeXT-Mac-systeem kon eindelijk alles aan wat de hardware al een tijdje mogelijk maakte, maar waar de oude systeemsoftware geen weg mee wist: soepeler pre-emptive multitasking om meer programma’s gelijktijdig te laten draaien, geheugenbescherming die voortkomt dat een kleine crash andere software of het hele systeem meesleept, ondersteuning van meerdere processors in één computer. Windows NT en Linux liepen op deze onderdelen voor op de Mac en Apple had daarom haast.
Om niet teveel tijd te verliezen verscheen de eerste versie van het nieuwe OS als een aangepast NeXTStep zonder typische Mac-eigenschappen. Ontwikkelaars kregen in augustus 1997 de eerste testversie van dit ‘hybride’ Mac/NeXT-systeem, Rhapsody. De plannenmakers in Cupertino wisten heel goed dat het nog vele maanden zou duren om er een bruikbaar systeem voor consumenten van te maken. Voor hen ontwikkelde Apple het oude MacOS dan ook gewoon door, van 7.6 via 8 en 8.5 naar 9. Een gemoderniseerd uiterlijk en aanpak van de ergste crashes hielden gebruikers tevreden tot er iets nieuws zou liggen. De succesvolle introductie van de eerste iMac in 1998 zorgde intussen voor een stevige financiële basis onder de verdere ontwikkeling van het nieuwe systeem.
Software-ontwikkelaars moesten kiezen: binnen de Blue Box blijven met het oude systeem of voor de Yellow Box goeddeels opnieuw beginnen.
Het legioen doorgewinterde Mac-gebruikers zou de nieuwkomer niet zomaar omarmen en daarom verscheen Rhapsody in maart 1999 als alternatief systeem voor systeembeheerders en technici in de markt onder de naam Mac OS X Server. Het grote publiek werkte gewoon verder met MacOS 8.6 en 9. Op dat moment besefte Apple al dat het oorspronkelijk uitgestippelde pad doodliep. Mac-ontwikkelaars voelden er weinig voor om hun applicaties compleet opnieuw te schrijven voor de Yellow Box in de nog onbekende programmeertaal Objective-C. Nog voor het verschijnen van Mac OS X Server besloot Apple daarom een nieuwe methodiek te ontwikkelen die van Mac-coders uiteindelijk switchers moest maken: Carbon.
Deze systeembibliotheek liet ontwikkelaars aangepaste versies van hun bestaande programma’s schrijven voor het oude MacOS 8 en 9, met de belofte dat hun werk bruikbaar zou blijven in het komende Mac OS X. Tegelijkertijd werkte Apple aan een splinternieuwe opbouw van de grafische systeemroutines onder de codenaam Quartz. Populaire software-elementen als AppleScript, Java en QuickTime maakten Mac OS X veel flexibeler en veelzijdiger dan Rhapsody. Apple hoopte als eerste de heilige graal van de programmeurs te produceren: een consumenten-Unix met het gebruiksgemak van het MacOS. Die moest de concurrentie uit het Windows-kamp én het opkomende Linux overtreffen.

(Bovendien speelde Apple ondertussen stiekem een troefkaart uit van Rhapsody als platformonafhankelijk Unix-systeem. Verschillende ontwikkelaarsversies van het nieuwe OS werden zowel voor PowerPC- alsook voor de concurrerende Intel X86-processoren uit de pc-wereld uitgebracht. Anno 1999 zouden Mac-fans weliswaar ongetwijfeld nog met brandende toortsen en hooivorken richting Cupertino trekken wanneer er ook maar aan het toepassen van pc-technologie werd gedácht – mede als gevolg van Steve Jobs’ eigen anti-Wintel-propaganda. Op termijn zou het voor de onderneming echter belangrijk zijn om CPU-alternatieven bij de hand te hebben. Die werden daarom angstvallig verzwegen, maar ondertussen wel doorontwikkeld.)

Lekker likbaar

Onder leiding van Avadis ‘Avie’ Tevanian, de voormalige softwarechef van NeXT, wisten de Apple-technici dit ideaal te verwezenlijken. Steve Jobs fungeerde als kritische keurmeester voor bediening en uiterlijk. Alleen de beste componenten uit MacOS of NeXTStep mochten blijven. Jobs wist dat de grafische interface van Mac OS X aan moest sluiten bij de kleurige en opvallende Mac-hardware uit die tijd. Failure was not an option: het allengs minder krakkemikkige Windows lag op de loer met wat later XP zou blijken. NeXTStep was ondertussen passé, het MacOS am ende, en het nog vrij primitieve Mac OS X Server zette de wereld ook niet in vuur en vlam. Apple moest anno 2000 wel met iets spectaculairs op de proppen komen.
Voor publicitair kabaal ben je bij Steve Jobs echter aan het goede adres. Op 19 juli 2000 startte de heringetreden Apple-topman zijn offensief met de introductie van een publieke testversie van wat later Mac OS X 10.0 zou worden. Deze probeerversie met unieke ‘voor-eigen-risico-garantie’ kwam in september voor 30 dollar op de markt. Met de semi-transparante grafische interface in iMac-zuurtjeskleuren presenteerde Apple een OS zoals de wereld het nog niet eerder had gezien. Functioneel was het nog altijd een aangepast NeXTStep met Mac-elementen, maar visueel stak het geheel in een compleet nieuw jasje met de codenaam Aqua. Dit toonde pulserende knoppen, glasachtige reflecties en als water in het Dock vloeiende vensters. Van zoveel ‘likbaar’ lekkers moest menig computeraar spontaan het kwijl van zijn toetsenbord vegen.
Al die visuele pracht stelde wel hoge eisen aan de hardware. Op minder vlotte machines leek Aqua eerder op stroop dan water, maar dat mocht de pret aanvankelijk niet drukken. Jobs kreeg tijdens de presentatie spontaan applaus voor Genie, dat een venster als het ware vloeibaar minimaliseert en de mogelijkheden om transparantie live toe te passen, zelfs op 3D-beelden. Een derde demonstratie maakte een doorslaggevend het verschil met vorige generaties Macs direct duidelijk: het programma Bomb.app, speciaal gemaakt om vast te lopen. Toen Steve Jobs dit softwarebommetje activeerde en het QuickTime-filmpje op de achtergrond tijdens de crashmelding ongehinderd doorspeelde, applaudisseerde het publiek zo mogelijk nóg harder. Dit was waar ze jaren op hadden gewacht: een Mac-OS dat niet mee ten onder gaat wanneer een enkel programma tijdens het werken de geest geeft. De periode van vastlopen en herstarten leek eindelijk voorbij.

Op wankele pootjes

In september 2000 kwam Mac OS X eindelijk in handen van een groot publiek, nog steeds als testversie. Het systeem rammelde echter nog aan alle kanten. Netwerkverbindingen werkten moeizaam, applicaties bleven hangen, het systeem zelf klapte er soms uit met een uit de Unix-wereld overgenomen Kernel Panic. Het geheel wemelde van de compatibiliteitsproblemen en ‘echte’ Mac OS X-software was er nog nauwelijks. Zonder de laatste snelle hardware verliep zelfs het vergroten of verkleinen van een venster traag en haperend. De meeste gebruikers bleven bij het oude MacOS, in afwachting van beloofde verbeteringen.
In maart 2001 was de eerste werkelijke publieksversie van Mac OS X 10.0 (‘Cheetah’) de spontane start van releases met katachtige namen die tot vandaag voortduurt. Tot vreugde van gebruikers had Apple na de testfase enkele concessies gedaan, zoals de terugkeer van het Apple-menu van middenin de menubalk naar de vertrouwde linkerbovenhoek. Toch gaf de verschijning van de eerste OSX-versie in meerdere opzichten nog bepaald weinig reden tot juichen.
Veel werkte vooral nog niét, vooral wanneer er randapparatuur aan te pas kwam. De Classic-modus was in de praktijk onmisbaar en het oude MacOS 9 haalde de nieuweling qua tempo nog vaak op zijn sloffen in. In versie 10.0 leek Mac OS X vooral op een pasgeboren kalfje dat wankelend op eigen benen staat. Veel gebruikers keken verlangend uit naar versie 10.1, die als bugfix-release de grootste pijnpunten zou moeten aanpakken.

Pijnlijke progressie

In september 2001 was het zover. Jobs: ‘Dít is de release voor het grote publiek en we zijn er uitermate trots op. Als je nog steeds MacOS 9 gebruikt, is dit dan ook het moment om over te stappen.’ Met ‘Puma’ 10.1 verschenen ook de eerste belangrijke OSX-pakketten als Microsoft Office in een compleet vernieuwde versie. De meest afgrijselijke fouten waren bovendien aangepakt. Nog steeds zag niet iedereen de nieuwkomer als een geslaagde vervanger, maar de voortgang gaf hernieuwde hoop. De voor een paar dollars leverbare update van 10.0 naar 10.1 bleek bovendien een complete systeemdisk en dat was een onverwachte bonus. Softwaresnuffelaars wisten de schijf al snel om te zetten in een op elke Mac bruikbare versie.
Puma speelde dvd’s beter af en kon ze branden, ondersteunde een deel van de populairste printers op de markt, bevatte beter functionerende AppleScript-routines en liet een bruikbaar ColorSync-kleurmanagement zien. Puma versloeg Cheetah in snelheid, maar was volgens de meeste gebruikers en recensenten niet vlot genoeg om MacOS 9 te doen vergeten. In plaats van hypertraag bleek het systeem op de toenmalige G3- en G4-computers inmiddels gewóón traag. Apple had een geslaagde teleurstelling afgeleverd: niet snel en probleemloos voor dagelijkse bezigheden, maar wel beter dan voorheen.
Vanaf januari 2002 leverde Apple Mac OS X 10.1 voor het eerst als standaardsysteem bij elke Mac. Daar moest dan wel minimaal 128 MB RAM in zitten. In mei verklaarde Apple-opperhoofd Steve Jobs het klassieke Mac-OS officieel dood en begraven, compleet met doodskist op het podium. De lancering van concurrent Windows XP in augustus 2001 voerde de druk op: gebruikers wachtten dan ook met smart op een systeemversie die de voordelen van Mac OS X nu eens duidelijk naar voren zou brengen.

Katje met klauwen

Die eerste vonk van innovatie gecombineerd met verhoogde snelheid én stabiliteit kwam er in de vorm van Jaguar, op de markt in augustus 2002. Voor het eerst hadden Apples programmeurs hier serieus de kans gekregen voor optimalisatie. Er was ruimte om het systeem uit te bouwen in plaats van alleen serieuze gaten te dichten. Jaguar presenteerde een integraal bruikbaar Adresboek en serieuze autoconfiguratieroutines voor netwerkverbindingen. Zeroconf/Rendezvous kon zelfs zijn weg vinden in een Windows-omgeving. Mail bevatte een bruikbaar spamfilter, het systeem liet zich makkelijker installeren en ondersteunde het populaire Unix-printersysteem CUPS. Voor online babbelaars verscheen iChat en bezitters van een tekentablet zagen met ‘Inkwell’ de terugkeer van handschriftherkenning uit de Newton.
In Jaguar liet Mac OS X voor het eerst echte snelheidsverbeteringen zien. De hardware-ondersteuning voor OpenGL 3D-beelden was uitgebreid tot de Aqua-interface. De interne videochip op nieuwe Macs nam met Quartz Extreme een deel van de weergaveroutines van de centrale processor over. Mac OS X kreeg voor het eerst klauwen, al waren ze nog niet heel scherp.

Volwassen gepolijst

Nog overtuigender betrad in oktober 2003 versie 10.3 ‘Panther’ het podium. De nieuwe brushed metal aluminum-look voor Finder-vensters en andere visuele elementen zorgde voor een gepolijster uiterlijk. Bovendien werd dit de eerste revisie waarbij gebruikers niet in eerste instantie meer spraken over over traagheid en haperende reacties. Op de meeste G3-, G4- en G5-Macs kon Panther de vergelijking met de concurrentie uit het Microsoft-kamp ruimschoots doorstaan. Het volwassen systeem bleek nu echt crashbestendiger dan het oude MacOS en voorzag in een flink aantal nieuwtjes: snel van gebruikersaccount wisselen, Exposé voor vensterbeheer en Lettertypecatalogus voor de organisatie van fonts. Voor de groeiende OSX-programmeursgemeenschap introduceerde Apple bovendien zijn eigen ontwikkelaarspakket Xcode. De Finder kon weer kleurlabels aan bestanden weergeven en Teksteditor opende voortaan de .doc-bestanden van Microsoft Word. Als klap op de publicitaire vuurpijl lanceerde Apple bovendien zijn eigen webbrowser Safari.
Panther had nog wel enkele zwakke punten: het niet altijd even succesvolle aanleggen van netwerkverbindingen en een gebrekkige implementatie van de AppleScript-programmeertaal. Dit stond het succes niet in de weg. In zekere zin was het systeem in deze revisie wat de voorgangers 10.0 tot en met 10.2 hadden moeten zijn. Zowel bij Apple als bij gebruikers leefde niettemin de wens voor meer uitbreidingen en bredere inzetbaarheid. Daar zou de volgende versie voor moeten zorgen.

Bom in slow-motion

De als ‘Tiger’ geboren OSX-revisie 10.4 maakte zijn debuut in april 2005 en sloeg in als een bom in slow-motion. Programmeurs en gebruikers zagen de verbeteringen niet allemaal direct. Uiteindelijk werd echter duidelijk dat dit nog verder versnelde en stabiele systeem zijn voorgangers ruimschoots overtrof. Met versie 10.4 liet Mac OS X voor het eerst zijn spierballen aan de concurrentie zien – en die had voor het eerst ook reden om enigszins bleek weg te trekken. Opnieuw wist Apple de snelheid op te voeren en daar legden de ontwikkelaars nog tientallen innovaties uit eigen huis bovenop.
Zoekfunctie Spotlight was de vaandeldrager. Voor het eerst kon je razendsnel een willekeurig bestand of e-mailtje opzoeken. De zoeksoftware reageerde vele malen sneller dan alle eerder geproduceerde speur- en snuffelroutines. Dashboard bracht met een toetsaanslag een scherm met talloze kleinere widget-programma’s naar keuze in beeld, met iChat AV opende je videochats, Safari las het nieuws met RSS-functies, Mail kreeg slimme postbussen en voor visueel gehandicapten las VoiceOver voor wat er op het scherm gebeurde. Uit het boeket van zo’n 200 vernieuwingen gaf Automator de gebruiker een muisgestuurde schil rond onder meer AppleScript. Zo kon je allerlei vaak herhaalde handelingen automatiseren. Vrijwel elke denkbare achterstand op Linux of Windows was ingehaald. De gratis meegeleverde iLife-programma’s iMovie, iPhoto, iDVD, GarageBand en iTunes droegen met hun prima niveau eveneens flink bij aan de populariteit van de Mac als consumentensysteem.
Onder de motorkap optimaliseerde Tiger de Unix- en kernelsystemen voor programmeurs. Videochips wikkelden in combinatie met Quartz 2D Extreme en CoreImage de grafische routines sneller af, vaak met een tempowinst van tientallen procenten. Voor het eerst dook ondersteuning op voor 64-bits applicaties (zij het alleen via de Terminal). Als klap op de vuurpijl kwam daarbij na enkele maanden nog een extra eigenschap die Apple bij de lancering van ‘Tiger’ heel bewust niét had aangekondigd. Deze sloeg binnen de computerwereld wél zonder enige vertraging in als de spreekwoordelijke bom: ondersteuning van Intel x86-processors.
De overstap naar de voorheen vaak verguisde CPU’s uit het Windows-kamp kwam onverwacht. De PowerPC-processoren van IBM en Motorola waren inmiddels relatief traag en bleven te veel stroom verbruiken. Met Intels nieuwe serie Core Duo-CPU’s met dubbele processorkern zou de Mac technisch beter af zijn. Eerdere claims over de superioriteit van de PPC-CPU gingen vlotjes overboord. De nieuwe generatie Core-chips was beter, voor Mac OS X maakte het niet uit, en aan ingesleten dogma’s bij miljoenen Mac-fans had Steve Jobs geen boodschap. Vanaf versie 10.4.4 zou er ook een Intel-variant van ‘Tiger’ ten tonele verschijnen en daarmee was voor hem de kous af.
Opnieuw volgde een overgangstijdperk. Op de nieuwe Intel-Macs draaide PPC-software via een onzichtbaar vertaalpakket met de naam Rosetta. Programmeurs brachten hun producten daarnaast uit in het Universal-formaat dat op beide chips draaide. Maar twee generaties teruggaan ondersteunde Apple niet: op de Intel-Macs sneuvelde de Classic OS9-omgeving. Door de bank genomen was ‘Tiger’ weliswaar de meest universele OSX-revisie ooit – de enige die zowel met 68k/MacOS9-, PowerPC- als Intel x86-software kan omgaan – maar je moest wel weten welke variant er op jouw machine was geïnstalleerd.
De nieuw gekozen processoren gaven nog een andere mogelijkheid: rechtstreeks Windows installeren op Mac-hardware. Nooit meer zou iemand kunnen beweren ‘dat Macs niet compatibel zijn’. Met het vooraleerst als testversie uitgebrachte Boot Camp voor ‘Tiger’ installeerde iedere liefhebber Windows XP gewoon naast OS X. Het risico dat games-ontwikkelaars nauwelijks meer volbloed Mac-spellen zouden uitbrengen, nam Cupertino op de koop toe.
De klauwen van Tiger waren hierdoor uiteindelijk scherper dan ooit. Mede door het veelbesproken halo effect van de wereldwijd tot onbetwiste marktleider uitgegroeide iPod-muziekspeler sprankelde Apple in de ogen van gebruikers en beleggers, terwijl Microsoft worstelde met de mislukking van het verhoudingsgewijs trage en problematische Windows Vista. De volgende systeemrevisie zou het hernieuwde elan verder moeten uitbouwen.

Groeistuipen en noviteiten

Toch verliep het debuut van Mac OS X 10.5 niet helemaal zoals gehoopt. Apples ontwikkelteams moesten hun mankracht ook inzetten voor de toen nog geheime iPhone en dat leidde tot een half jaar uitstel voor de al aangekondigde lancering van ‘Leopard’. Wel telde Apple bij de introductie in oktober 2007 maar liefst 300 noviteiten, grotendeels opgenomen in bestaande programma’s. De grootste aandachttrekker was het nieuwe Time Machine, een innovatief en integraal backup-systeem dat je simpel terug laat bladeren naar versies van vorige dagen, weken en zelfs maanden. De Cover Flow-albumweergave in Finder-vensters trok eveneens de aandacht en er was veel waardering voor QuickLook, waarmee je bestanden in de Finder door een simpele druk op de spatiebalk nader bekijkt zonder er een apart programma voor te openen. Spaces gaf een oude truc van de Commodore Amiga en de Unix-wereld een nieuw jasje zodat je meerdere virtuele bureaubladen vol vensters en programma’s naast elkaar beheert.
Verdere wijzigingen gingen opnieuw schuil onder de oppervlakte, waar ze programmeurs het werk makkelijker maakten. Actieve support voor 64-bits programma’s op passende processoren vereenvoudigde het gebruik van grote hoeveelheden RAM-geheugen. De ondersteuning voor de overstaptechniek van weleer, Carbon, ging op een zacht pitje. Wel bleef Apple hameren op resolutie-onafhankelijke graphics, waardoor het systeem zich makkelijker aanpaste aan hele grote schermen als het 30-inch Cinema Display en klaar was voor hele kleine schermen zoals die van de iPhone.
Ondanks (of juist dankzij) alle werkzaamheden bij Apple bevatten de eerste revisies van Leopard relatief veel kinderziekten. Soms deden die zelfs denken aan het overbelaste Systeem 7.5 van weleer: inclusief een overmaat aan vastlopers en Kernel Panics. Voor het eerst was een nieuwe versie van Mac OS X bovendien niet beduidend sneller dan zijn voorganger. De met een enorme hype gepaard gaande introductie van Apple’s iPhone medio 2007 deed echter bijna vergeten dat het juist de verdeling van Apple’s interne ontwikkelaarsteams over meer productlijnen was geweest die de aanloopproblemen mede hadden veroorzaakt.
In de daaropvolgende maanden poetsten de updates van 10.5.4 tot en met 10.5.8 deze vlekjes voor het grootste deel weg. Het door sommige pc-bezitters graag opgeroepen spook van een Mac-Vista bleef weg van het wereldtoneel. Zo’n moeilijke beginfase wilde Apple niet nogmaals meemaken. Daarom zou de volgende OSX-versie niet nogmaals uitblinken met een lawine aan nieuwe functies. Vooral onderhuids zou deze echter een kleine revolutie betekenen.

Luipaard in het wit

Met Mac OS X 10.6 ‘Snow Leopard’ sloeg Apple in meerdere opzichten een nieuwe richting in. Voor het eerst in de ontwikkeling van het besturingssysteem maakte Apple qua functionaliteit bewust een pas op de plaats. Op de PowerPC-processor werkte de nieuwe versie bovendien niet langer en de gebruiker moest weten dat Snow Leopard niet meer zou zijn dan een sterke optimalisatie.
Onder de motorkap veranderde er echter zoveel dat Apple ook best had kunnen spreken van Mac OS XI. Herschrijfrondes in de moderne Cocoa-programmeeromgeving zorgden voor een reeks snelheidsverbeteringen, aangevuld met nieuwe systeemfuncties die vooral de nieuwste hardware efficiënter inzetten. Ook kun je voor het eerst echt spreken van Mac OS X als een 64-bits systeem. Grand Central Dispatch laat daarnaast de aanwezige processorkernen beter gelijktijdig benutten en OpenCL geeft videochips ook iets te doen als er geen grafisch werk op hun bordje ligt. Vooral voor dat laatste moeten programmeurs hun software overigens wel speciaal aanpassen.
Ondanks Apple’s eerdere aankondigingen zaten er uiteindelijk toch enkele tientallen kleinere noviteiten in Snow Leopard. iCal en Mail werkten voortaan samen met Exchange-servers, de Servicemenu’s kregen een revisie en meer programma’s konden afkortingen automatisch uitschrijven. Ondanks de talloze onderliggende aanpassingen bleek de stabiliteit door de bank genomen zo goed als beloofd. De vriendelijke updateprijs van 29 euro deed de rest: het systeem ging in recordtempo over de toonbank. Het contrast met het technisch op zijn laatste benen wankelende MacOS 9 van een decennium geleden kan haast niet groter zijn.

Tussenstand

Mac OS X staat anno 2010 op een veel hoger niveau dan zijn voorgangers dankzij drie groepen: de gebruikers met hun kritische feedback, de capabele technici bij Apple, Intel en Nvidia en natuurlijk de éénmansgroep Steve Jobs met zijn hyperkritische oog, dat uit alle mooie ideeën alleen de briljantjes kiest. De input van alle drie was nodig om Mac OS X te laten slagen als het eerste consumenten-Unix ter wereld én de hoogst noodzakelijke vervanger voor het oude MacOS. Snow Leopard is een systeem waar we tien jaar geleden alleen maar van konden drómen – en het vormt de basis voor een interessante toekomst.

Ruud Dingemans

Tien jaar, tien grote verschillen

1. Met de public beta-testversie van Mac OS X was je een onaf en instabiel systeem aan het uitproberen. De meeste Mac-gebruikers hielden het dan ook nog ‘gewoon’ bij MacOS 8 of 9.
2. Wie tien jaar geleden met een Mac werkte, behoorde tot een onbekende minderheid. Apple was nog geen wereldmerk. Het bedrijf maakte dankzij de iMac weliswaar al miljoenen winst, maar was buiten de computerbranche nog nauwelijks bekend.
3. Apple leverde net zijn eerste modellen met DVD-drive, maar in MacOS 9 lukte het vaak niet om die soepeltjes af te spelen. DVD-branders waren nog vrijwel onbetaalbaar.
4. Tegenwoordig zet je bestanden van honderden megabytes simpelweg draadloos over. Tien jaar geleden moesten Bluetooth en WiFi nog doorbreken. Apple was met begonnen met de AirPort-hardware, maar de standaardgebruiker hield het op ethernetkabels, Zip-disks of floppy’s.
5. Wie tien jaar geleden al met mp3-muziekbestanden werkte, was waarschijnlijk een computerfanaat. Bij het grote publiek was het audioformaat nog maar net aan het doorbreken als alternatief voor de cd en op een Mac speelden deze liedjes vaak haperend af. De iPod verscheen pas in 2001 op de Amerikaanse markt.
6. Een decennium geleden was een computerdag zonder een of meerdere crashes bijna een feestdag. Ook de Mac liep per etmaal vaak een of meerdere malen vast als je er meer mee deed dan tekstverwerken of e-mailen.
7. De Gigahertzen en multi-cores vliegen je nu zelfs op de MacBook en de Mac mini om de oren. Tien jaar geleden werkte je doorgaans op een processor van 350 MHz (oftewel 0,35 Gigahertz) met slechts één processorkern. Een schermvullende 3D-game soepel spelen was destijds behoorlijk high-tech in een resolutie van 800 bij 600 pixels.
8. Even een bestandje uitwisselen met je Windows-collega was tien jaar geleden zo makkelijk nog niet. Apple en Microsoft accepteerden elkaars bestandsformaten en protocollen nog nauwelijks. Microsoft Office draaide in de Classic-modus en uitwisseling van data via Microsoft-servers werkte slechts mondjesmaat. Alleen usb was al universeel doorgebroken.
9. Je ogen hadden nog heel wat te verduren met de ouderwetse beeldbuis die een veel minder scherp beeld leverde dan de huidige platte monitoren. Apple liep in 2000 weliswaar voorop met de eerste generaties van zijn beeldschone Cinema Display, maar lang niet iedereen kon zo’n juweeltje betalen.
10. Windows-programma’s op je Mac draaien is nu de gewoonste zaak van de wereld. Boot Camp laat je Windows in een eigen partitie van de harddisk installeren. Via pakketten als CrossOver Games of Cider draaien Windows-spellen vaak rechtstreeks binnen Snow Leopard. In 2000 waren de verkrijgbare pc-emulatoren voor de Mac zeker tien keer trager dan een echte pc.

Tekst door Ruud Dingemans

Ruud Dingemans was een journalistiek redacteur voor onder diverse Apple en Amiga magazines. Hij heeft in zijn carrière ontzettend veel teksten geschreven. Een aantal daarvan zijn teruggevonden tussen zijn bezittingen. Ik wil hiermee een eerbetoon geven aan Ruud, zodat zijn nalatenschap voor zover mogelijk is nog voor velen beschikbaar zal zijn in de toekomst.

Meer achter het verhaal hoe ik kennis maakte met zijn broer Mario en familie kun je hier lezen.

(Mocht blijken dat op bepaalde artikelen copyright berust, dan laat het weten en zal ik het weghalen. Echter, houd er rekening mee dat met deze publicaties geen geld wordt verdiend, maar dit enkel een eerbetoon is aan Ruud)

0 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Web Analytics