Retrospectief: Twintig jaar Apple-portables

VAN SJOUWBAAR TOT VEDERGEWICHT

Wanneer je het over ‘de Mac’ hebt, praat je tegenwoordig meestal over ‘de MacBook’. Bijna driekwart van Apple’s Macintosh-verkopen bestaat tegenwoordig uit notebooks. Met de nieuwe MacBook Air heeft Cupertino bovendien weer een vlijmscherpe troefkaart in handen tegen de concurrentie. Toch was dat ooit heel anders; de Mac begon in 1984 immers als bureaucomputer – je kon hem tillen, maar verder was er weinig draagbaars aan. In 1991 veranderde dat met de introductie van de eerste serie PowerBooks. Twintig jaar later heeft de Mac dankzij die lancering een opmerkelijke transformatie ondergaan.

‘Never trust a computer you can’t lift’ – nooit een computer vertrouwen die je niet kunt optillen, was al bij de lancering een motto van de compacte Macintosh. Andere fabrikanten hadden inmiddels de weg naar echte portable computers echter al ingeslagen. Na oermodellen als de Osborne, de GRiD en de Kaypro (doorgaans nog stukken zwaarder en groter dan de eerste Mac) was het vooral Epson dat op dit gebied de weg wees. Dit Japanse bedrijf, tegenwoordig vooral bekend van zijn printermodellen, gebruikte de toenemende hang naar high-tech miniaturisatie begin jaren tachtig voor de introductie van wat we inmiddels notebooks zijn gaan noemen. Met de HX-20 en later de fraai vormgegeven PX-8 ‘Geneva’ bracht Epson vanaf 1982 voor het eerst portable computers in comfortabel A4-formaat op de markt waar je je onderweg geen breuk aan tilde. Door de beperkte verwerkingscapaciteit en de minimale beeldschermpjes zonder achtergrondverlichting (40 tot 80 lettertekens was zo’n beetje het maximale) bleef de afzetmarkt vooralsnog beperkt. De machientjes trokken echter voldoende de aandacht om Amerikaanse fabrikanten als Tandy te ‘inspireren’ tot het maken van goedkopere eigen portables in A4-formaat. Deze werden gaandeweg populair bij journalisten en technici die vaak onderweg data moesten invoeren en verwerken (vooralsnog wel via modem en telefoonlijn – en zonder Internet). De tijd was langzaam rijp voor de opmars van de portables.

Mac Luggable

Apple kreeg deze stilaan groeiende markt uiteraard ook in het oog. De firma had echter geen specifieke expertise in huis voor het maken van laptops. Het produceren van de destijds nog populaire Apple II en de eerste Macs bleek al problematisch genoeg na de alles overrompelende introductie van de IBM PC en vooral de opkomst van diens talloze MS-DOS pc-klonen. Toch wilde Apple onder het regime van John Sculley het Macintosh-assortiment vooral voor zakelijke gebruikers steeds verder verbreden. De firma keek daarvoor vooral naar Japan, waar de elektronische miniaturisatie bij bedrijven als Epson en Sony vaak duidelijk verder was gevorderd dan in het Westen.
In 1989 presenteerde Cupertino met hulp van Sony het eerste resultaat in de vorm van de Macintosh Portable. Uitgangspunt was een computer die dezelfde verwerkingscapaciteit en geheugenruimte bood als een desktop-Mac, maar dan draagbaar en met een ingebouwde accu die het een hele werkdag vol kon houden. Het eindresultaat bleek echter ontnuchterend. Om genoeg stroom te kunnen leveren, waren de interne loodzuur-accu’s groot en erg zwaar. Het hele gevaarte was bijna even groot als een kleine naaimachine en woog ook zo’n beetje evenveel (maar liefst zeven kilo – zonder accessoires). De 16 MHz 68000-processor en het scherpe active matrix LCD-beeldscherm waren weliswaar state of the art voor portables, maar door het hoge gewicht werd de computer net als veel voorgangers toch meer beschouwd als een ‘luggable’, ofwel meer een sjouwbare dan een draagbare computer. Mede door de torenhoge prijs van tenminste $ 6500 gingen de verkoopcijfers van de Portable nooit de hoogte in. Momenteel wordt de machine beschouwd als een van Apple’s grootste flops.

In 1991 nam Apple echter revanche in grootse stijl. Dit keer mikte de firma uit Cupertino wél op een lichtgewicht portable in echt notebook-formaat. De belangstelling voor draagbare computers was door hun gewicht en beperkte prestaties nog niet zo groot als vandaag de dag, maar in hun klasse sloegen de eerste drie PowerBooks in als een bom. Veel portables uit die tijd waren in klompvormige behuizingen gegoten en vaak rammelende MS-DOS pc’s met slecht leesbare en onverlichte lcd- of plasmaschermen en zonder bruikbare muisbesturing. Het contrast met Apple’s nieuwe notebooks was dan ook groot. Nog afgezien van het ingebouwde en muisgestuurde MacOS (hier als ‘System 7’ bestuurd via een ingebouwde trackball) waren de Powerbooks dunner, krachtiger en stukken eleganter van ontwerp dan het overgrote deel van hun concurrenten.
Het basismodel 100 was het goedkoopste; feitelijk was deze instapper met de codenaam ‘Asahi’ grotendeels ontworpen door Sony, voortbouwend op restanten van het eerdere Portable-project. De processor was dan ook net als in die computer een relatief energiezuinige 16 MHz 68HC000. Daarmee ging de ingebouwde accu op een lading ongeveer 3,5 uur mee. Een ingebouwde diskdrive ontbrak, wat het gewicht en omvang van de behuizing omlaag bracht, maar aansluiten van speciale externe diskdrives en andere koppelstukken noodzakelijk maakte om bestanden over te brengen (de USB-interface was nog lang niet uitgevonden).
De notebook-computer woog inclusief passive matrix zwart-wit lcd-scherm en 2,5 inch SCSI-HD slechts zo’n 2,5 kilogram, maar werd ondanks zijn lagere prijs van circa 2500 dollar toch niet helemaal de bestseller die Apple ermee voor ogen had. Door de bescheiden prestaties en ontbrekende drive stak de PowerBook 100 qua prijs/prestatieverhouding aanvankelijk ietwat schamel af bij zijn grotere broers. Toen Apple dit model echter na een tijdje voor $ 1000 in de uitverkoop deed, was de notebook voor Cupertino echter maandenlang nauwelijks aan te slepen.

Asahi en Tim

De grotere tweelingbroers van ‘Asahi’ 100 maakte Apple wel nagenoeg helemaal zelf. Ze kregen tijdens hun ontwikkeling de codenamen ‘Tim’ en ‘Tim LC’ (voor Low Cost). De eerste werd uiteindelijk gepresenteerd als het topmodel PowerBook 170. Deze machine had een voor 1991 gestoken scherp active matrix lcd-scherm aan boord; relatief prijzig, maar met een verhoudingsgewijs snelle beeldopbouw en uitstekend leesbaar. De processor was een compromisloze 25 MHz Motorola 68030, aangevuld door een 68882 floating point coprocessor. Daarmee bereikte de computer praktisch dezelfde verwerkingskracht van desktopcomputers uit die tijd en was beduidend sneller dan nagenoeg al zijn concurrenten. Het beestje kostte met circa $ 4600 weliswaar een behoorlijke duit, maar dan had je ook wel zo’n beetje de Bentley onder de portables. Met zijn forse 40 tot 80 MB SCSI-HD en uit de kluiten gewassen hardware was de 170 (3,5 kg) niet ‘s wereld’s grootste lichtgewicht. Dat gold ook voor zijn wat goedkopere broertje Tim LC ofwel Powerbook 140. Die was voor circa $ 3200 uitgerust met een wat goedkoper passive matrix lcd-scherm, een redelijk vlot presterende 16 MHz 68030 zonder FPU en een 20 MB HD. Wat elk van deze notebooks tot een aandachttrekker en verkoopsucces maakte, was naast de capabele hard- en software echter vooral het opvallende design.
Doordat Apple met zijn eerste PowerBooks wél doelbewust op echte portables in A4-formaat mikte, had ontwerper Robert Brunner in Cupertino vooral de draagbaarheid van een boek voor ogen – in 1991 overigens wel met de dikte van een flink telefoonboek. De Apple-notebooks bleken echter vooral baanbrekend door hun relatief compacte en ergonomische ontwerp. In tegenstelling tot de meeste toenmalige pc-portables was het toetsenbord niet helemaal vooraan, maar áchteraan de behuizing en vlakbij het beeldscherm aangebracht, zodat je je handpalmen op de voorkant van de machine kon laten rusten. In het midden en vlak voor het toetsengedeelte bevond zich daarnaast een compacte trackball voor de muisbesturing. Hoewel die later vooral door het vingergevoelige trackpad zou worden vervangen, werd deze algehele layout van het invoergedeelte van de PowerBooks zo toonaangevend dat zowat alle latere notebooks dezelfde basisindeling hebben overgenomen. De machines bleken dan ook een groot succes: volgens sommige schattingen had Apple begin jaren negentig met zijn eerste PowerBooks tot veertig procent van de notebook-markt in handen.

De geslaagde introductie van Apple op de notebookmarkt had tot gevolg dat het bedrijf nog diverse jaren op hetzelfde basisstramien zou voortborduren. De modellen 100, 140 en 170 kregen diverse opvolgers die zowel technisch als visueel sterk bleven lijken op hun voorgangers. In de low-budgetlijn waren er revisies als de PowerBooks 145, 160 en 150; de meer luxueuze topmodellen kregen kleurenschermen en typenummers als de 165c en 180. De processoren bleven vaak dezelfde 25 of 33 MHz 68030. Die kregen ook een plaatsje in de dunnere ‘subnotebook’-variant van de laptops, die ‘PowerBook Duo’ werd gedoopt. (Deze slankere machines bleken rond 1992 conceptuele voorlopers van de latere MacBook Air; ze hadden geen interne diskdrives aan boord en misten enkele andere standaardcomponenten ten faveure van een lager gewicht.)
Pas rond 1994 kwamen er technisch meer vernieuwingen in de PowerBook-lijn. De verwerkingskracht van de notebooks maakte een sprong vooruit door de introductie van de snellere Motorola 68LC040-processor en de behuizingen werden met hun ietwat rondere lijnen verder gemoderniseerd. Deze PowerBook 500-reeks met de codenaam ‘Blackbird’ kreeg bovendien voor het eerst een trackpad als standaard-invoersysteem ter vervanging van de oudere (en zwaardere) trackballs. In tegenstelling tot de huidige MacBook-trackpads liet de nauwkeurigheid van deze eerste vingerplaten echter nog regelmatig het nodige te wensen over. Dat gold binnen een jaar overigens ook voor de processorsnelheid, want bij de bureau-Macs was Apple inmiddels overgestapt op de veel snellere PowerPC-processoren van Motorola en vooral IBM. Een ‘PPC-PowerBook’ liet echter nog de nodige maanden op zich wachten.
In augustus 1995 verscheen deze uiteindelijk in de vorm van de PowerBook 5300 (en zijn Duo-evenknie 2300). Deze machine kende echter veel productieproblemen – enkele exemplaren vlogen bijvoorbeeld spontaan in brand door kwalitatief ondermaatse Sony-accu’s. Bovendien bleek de computer met zijn relatief energiezuinige maar afgeslankte PowerPC 603e-CPU zonder Level 2-cache minder snel dan gehoopt. De snel tanende reputatie van de 5300 zorgde er mede voor dat de financiële situatie van Apple verslechterde en gedurende 1995 dicht naar de rand van de afgrond dreef.

De G3-generatie

Na de ommekeer door het succes van de eerste iMacs en de terugkeer van mede-oprichter Steve Jobs als topman kreeg ook de PowerBook uiteindelijk weer de wind in de rug. De nieuwe G3-reeks met de codenaam ‘Wall Street’ bleek vanaf 1998 zelfs een van Apple’s grootste successen op notebookgebied. Deze computers waren duidelijk slanker, eleganter en krachtiger dan hun voorgangers – én de meeste concurrenten uit de pc-wereld.
Strikt genomen waren de allereerste G3-PowerBooks omgebouwde computers van een voorgaande generatie. Apple had om te beginnen de relatief succesvolle PowerBook 3400c uit 1997 (met een 240 MHz 603e-CPU en een interne cd-drive als optie) aangepast voor de tot tweemaal snellere 250 MHz PowerPC G3-processor. Dit model kreeg officieel het typenummer 3500, maar stond eerder bekend onder zijn codenaam ‘Kanga’. De machine was slechts enkele maanden op de markt en werd daarna afgelost door de uiteindelijke G3-PowerBook. Met zijn beduidend elegantere behuizing vol vloeiende lijnen en een oplichtend Apple-logo kon deze toonaangevende reeks ‘Wall Street’-notebooks meteen aanspraak maken op de titel ‘meest sexy laptop ter wereld’. Met processorsnelheden van 233 tot 292 MHz draaiden de computers ook technisch aan de top mee. Alleen het 233 MHz-basismodel bleek zonder L2-cachebuffer wel duidelijk beknot ten faveure van een lagere prijs. In een latere generatie verhielp Apple deze handicap. Bovendien zorgde de computerbouwer bij er de Wall Street-PowerBooks voor dat ze compatibel waren met zijn nieuwe Mac-besturingssysteem; het waren de eerste notebooks uit Cupertino die later ook werkten onder Mac OS X.
In technisch opzicht boden de G3-PowerBooks naast 12 tot 14 inch kleurenschermen nog meer bijzonderheden. Zo kon de gebruiker ze uitbreiden via PCMCIA-insteekkaarten en via verwisselbare insteekmodules de standaard-drives desgewenst vervangen door een cd-drive, ZIP-drive, dvd-drive of een tweede accu. Met twee batterijen aan boord ging de werktijd er onderweg uiteraard flink op vooruit, al werd de computer er wel zwaarder mee.

De veelzijdigheid en sierlijke vormgeving van de PowerBook G3 vertaalde zich in gezonde belangstelling bij de klanten. Latere modellen kregen snellere processoren en stonden vaak vooral bekend onder hun codenaam. Zo heette de PowerBook G3/333 – met een 333 MHz G3-CPU en iets slanker en sneller dan zijn voorgangers – in de volksmond meestal de ‘Lombard’ of ‘Bronze’ (naar het bronskleurige plastic toetsenbord). Het uiteindelijke topmodel was de ‘Pismo’ G3, uitgerust met een FireWire-aansluiting en maar liefst 1 MB Level 2-cachebuffer. De processorsnelheden in deze modellen liepen in het jaar 2000 op tot 400 en 500 MHz en de prijs naar tenminste $ 3500 met 128 MB RAM.
De succesvolle introductie van de iMac had echter bewezen dat er ook een duidelijke behoefte was aan kleurige, opvallende ‘volkscomputers’ die zich onderscheidden van de pc-massa. Op notebookgebied sloeg Apple hier in 1999 zijn slag met de iBook. Voor slechts $ 1600 kreeg je een volwaardige G3-portable met een 300 MHz-CPU, een ingebouwde cd-drive én het uiterlijk van een hip plastic damestasje. Met zijn kleurstellingen in oranje- of blauw-wit was dit dan ook de computer die veel vrouwen voor het eerst verlekkerd naar een technisch rekentuig deed kijken (al prefereerden sommigen de elegante lijnen van de PowerBook). Apple verkocht ze al snel bij duizenden. De iBook had bovendien nog een ander extraatje aan boord dat mede door het succes van dit model doorbrak bij het grote publiek: AirPort, oftewel draadloos computeren via een WiFi-verbinding. Sommige oudere notebooks konden dit ook, maar Internetten via een Ethernetkabeltje bleef toch het populairst totdat de iBook liet zien dat het ook anders en makkelijker kon. Door AirPort standaard in te bouwen, wérd draadloos ook al gauw de standaard in notebookland.

Toonbeeld in titanium

Voor Apple riep het succes van de Power- en iBooks wel het probleem op om er een adequate opvolger voor te vinden. Ook deze zou bovendien weer moeten opvallen om zich van de grote pc-massa te onderscheiden. De oplossing kwam in 2001 uiteindelijk in de vorm van de nogmaals beduidend snellere PowerBook G4. Met hun uiterst slanke en lichte titanium metaalbehuizing stonden deze machines al snel bekend als de ‘TiBooks’. Processorsnelheden liepen op van 400 MHz bij het debuut tot 1,67 GHz bij het einde van de reeks in 2006. Uitgerust met het robuuste Mac OS X, AirPort, 15-inch breedbeeldschermen en ingebouwde cd/dvd-drives bleken het verhoudingsgewijs luxueuze machines die bovendien het op een acculading langer volhielden dan de meeste pc-concurrenten. Voor circa $ 2500 had je bovendien een design-icoon van de eerste orde, dat zich zowel leende voor zakelijk gebruik als voor multimedia-doeleinden en home entertainment (zoals film kijken met de laptop op schoot). Daar kon je mee voor de dag komen. Van underdog-denken leek geen sprake meer, eerder nauwelijks verholen trots in trein of café dat je en plein publique tenminste geen pc had.
Op de golf van dat herwonnen zelfvertrouwen borduurde Apple vooral qua design nog een tijdje voort. (Sterker nog: ook de huidige MacBook Pro’s hebben uiterlijk nog altijd erg veel van de eerste PowerBook G4’s weg.) De titanium behuizing maakte vanaf 2003 wel geleidelijk plaats voor een aluminium exemplaar, maar het basisontwerp van Jonathan Ive was here to stay. Wel waren er in navolgende jaren incidenteel wat opvallende kwaliteitsproblemen rond loszittende hengsels en spontaan exploderende accu’s (nogmaals met dank aan Sony). De snelheid van de hardware ging echter geleidelijk omhoog, terwijl de looptijd op een acculading daar niet al te veel onder te lijden had.
Rond 2005 doemde er echter een acuut probleem op in Cupertino: de levenscyclus van de G4-CPU liep op zijn eind. Er moest een opvolger komen. Bij de desktop-Macs had de problematische G5 echter al pijnlijk duidelijk gemaakt dat leverancier IBM niet veel Power meer uit de PowerPC kon wringen. Het stroomverbruik ging bij hogere kloksnelheden sneller omhoog dan de bloeddruk van Steve Jobs tijdens een haperende keynote-speech. De PowerMac G5 had zelfs waterkoeling nodig om zichzelf niet in rook te doen opgaan. De oplossing die Apple’s topman uiteindelijk koos, deed de computerwereld schudden op zijn grondvesten en maakte een einde aan de PowerBook.

Begin 2006 zag Apple’s nieuwe en nog altijd actuele notebook-lijn het levenslicht in de vorm van de eerste MacBook Pro. Deze had een tweekoppige Core Duo-processor van Intel, hetzelfde bedrijf dat Steve Jobs in het PowerPC-tijdperk altijd had afgedaan als producent van slakkerige en stroomslurpende pc-machinerie. De chipfabrikant had stilletjes echter daadwerkelijke vooruitgang geboekt. Door twee processorkernen van de energiezuinige Pentium M-chip aan elkaar te plakken, ontstond een relatief spaarzame Duo-architectuur met betere prestaties én veel ruimte om verder te groeien. Apple zag de voordelen van deze processor ook, zat weliswaar gebonden aan de PowerPC-architectuur, maar had tegelijkertijd ook een uitweg: Mac OS X. Als platformonafhankelijk Unix-systeem liet het zich relatief eenvoudig herschrijven van PowerPC naar Intel’s x86 Core-CPU’s. Resteerde nog wel het kleine probleempje dat alle Mac-programma’s voor PowerPC-chips waren geschreven, maar die hindernis liet zich keurig omzeilen via een stukje software dat in Cupertino de naam Rosetta kreeg. Dit ingenieuze maar onzichtbare programma, geboren als QuickTransit van de firma Transitive Corporation, zorgde er als automatische vertaler voor dat PowerPC-software rechtstreeks kon werken op Intel-hardware. Daarmee was technisch gesproken de weg vrij voor de overstap naar x86-processoren, al moest Jobs nog wel even een paar miljoen Mac-gebruikers overtuigen van de superioriteit van CPU’s die hij jarenlang als tweederangs had afgedaan. Veel keus had de Mac-goegemeente overigens niet: de populaire Mac-portables behoorden tot de eerste die overschakelden op de nieuwe systeemarchitectuur. Het succes overtrof in daaropvolgende jaren niettemin alle verwachtingen, mede door de introductie van de nog slankere en lichtere MacBook Air. De PowerBook behoorde tot het verleden, de MacBook (Pro) tot de toekomst. Vandaag de dag geldt dat feitelijk nog steeds.

Ruud Dingemans

Tekst door Ruud Dingemans

Ruud Dingemans was een journalistiek redacteur voor onder diverse Apple en Amiga magazines. Hij heeft in zijn carrière ontzettend veel teksten geschreven. Een aantal daarvan zijn teruggevonden tussen zijn bezittingen. Ik wil hiermee een eerbetoon geven aan Ruud, zodat zijn nalatenschap voor zover mogelijk is nog voor velen beschikbaar zal zijn in de toekomst.

Meer achter het verhaal hoe ik kennis maakte met zijn broer Mario en familie kun je hier lezen.

(Mocht blijken dat op bepaalde artikelen copyright berust, dan laat het weten en zal ik het weghalen. Echter, houd er rekening mee dat met deze publicaties geen geld wordt verdiend, maar dit enkel een eerbetoon is aan Ruud)

0 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Retrocomputerverzamelaar.nl is onderdeel van TASK4 Studios
Web Analytics